In de zomer van 1842 vergaderde een clubje heren uit de omgeving van Wassenaar en Voorschoten over de toestand van de Papeweg. Misschien hadden zij zich die winter weer eens geërgerd aan de slechte toestand van die onbestrate verkeersader en bovendien was er sinds kort een arrêt (halte) van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij in Voorschoten.
De uitkomst van het overleg was, dat een vennootschap zou worden opgericht met als doel de Papeweg te bestraten. De inkomsten van de maatschap zouden bestaan uit op de Papeweg te heffen tolgelden. Optimistisch gestemd ging men er zelfs vanuit dat dividend zou worden uitbetaald. De weg bleek bij opmeting 3008 ellen lang en al in een zeer vroeg stadium werd besloten deze met IJsselsteentjes te laten bestraten in plaats van met de betere maar ook duurdere Utrechtse moppen. Dat zou later een vergissing blijken te zijn. Nu staat de 19e eeuw bekend als de eeuw van het Liberalisme. De aanleg van zo’n weg zou dan ook geen problemen moeten opleveren. Helaas bleek dat niet het geval. Begin november 1842 werd vergunning aan Binnenlandse Zaken gevraagd. Op dat departement was men van mening dat allerlei betrokkenen moesten worden gehoord en dat de toltarieven voor zo’n kort stukje weg veel te hoog waren. In de daarop volgende maanden bemoeiden de gemeentebesturen en ambachtsbesturen van Wassenaar en Voorschoten, het Hoogheemraadschap Rijnland, de Provincie en de dienst van Rijkswaterstaat zich met de kwestie. De uitkomst hiervan was een steeds langer worden lijst van eisen. Zo moesten de gemetselde tonbogen over de drie weteringen (Oranje-, Dobbe- en Veenwetering) worden vervangen door houten bruggen en moesten de toltarieven omlaag. Bij Koninklijk Besluit van 4 maart 1843 kwam dan eindelijk toch de goedkeuring met toltarievenlijst af. De werkzaamheden werden met kracht ter hand genomen en nog datzelfde jaar kon over een bestrate Papeweg worden gereden. Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was dat er twee tolhuizen zouden komen, hield men het uiteindelijk op één. In 1854 verhuurde één van de commissarissen daartoe een pand aan de commissie voor de somma van f 104,- per jaar. Zo leek alles goed te gaan. Er werd tol (15 cent voor een rijtuig met vier wielen en twee paarden, 5 cent voor een paard, 1 cent voor een schaap of varken etc.) geïnd door de tolgaarder, waarvan onderhoud aan de weg werd gepleegd en waarvan een bescheiden dividend werd uitgekeerd. Het leek goed te gaan, maar was dat ook zo?
Rob Huijbrecht

Stoomtram van de IJssel Stoomtram Maatschappij. Trams van dit model (locomotieven van 40 pk en een gewicht van 8 ton, personenwagens voor28 passagiers) verzorgden ook de dienst op Wassenaar.