Zo werd in 1804 de weg van Den Haag naar Haarlem aangeduid, toen besloten werd deze met klinkers te bestraten. Later werd het dan ook de Rijksstraatweg. Eerder waren er al plannen voor bestrating geweest. Het eerst bekende was van 1694, zij het toen voor alleen het stuk van Den Haag naar het Haagsche Schouw.
Maar dat bleef toen bij een plan. Voor de hele weg werd in 1768 een plan ingediend door de baljuw en schout van Wassenaar, Adriaan van der Does en Mr Gabriël Bourcourd, advocaat in Den Haag. De indieners schreven o.m.:
"Dat het is waereldkundig, dat de ordinaire Ryweg, welke van den Haag, over het Huis ten Deyl, het Haagsche Schouw- en Duivenvlugt, door de Dorpen Oestgeest, Sassenheim, Lisse en Hillegom, en voorby Berkenroode na Haarlem gaat, genoegsaam altoos des Soomers, van weegen het gulle en meenigvuldige Zand, seer beswaarlyk en niet dan met groote kosten en bederf aan Paarden en Rytuigen kan worden gepasseert, …" Ook in de winter is de weg "byna impracticabel" en de postwagen van Amsterdam ondervindt vaak uren vertraging. Onderdeel van het plan was dat er op zeven plaatsen een tol zou komen. Het plan werd door middel van aanplakbiljetten publiek gemaakt en belanghebbenden konden bezwaren indienen
Ook het Ambachtsbestuur van Wassenaar boog zich in juni 1769 over de plannen. Het feit dat hun voorzitter, één der indieners van het plan is, weerhield de bestuurders er niet van een bezwaarschrift in te dienen (Memorie van Ambagtsbewaerders van Wassenaer en Zuijdwijk, vervattende de Reedenen van Oppositie…..) Ze zijn van mening dat de zeven te maken tollen
"voor de Ingezeetenen in 't Generael en voor de bruijkers in 't particulier van groot beswaer sijn ….." Als reden wordt aangevoerd dat velen dagelijks naar Den Haag of Leiden gaan om hun boter en melk te verkopen en vaak maar weinig bij zich hebben "en dat dus de tollen bij nae de vrucht op hunnen waeren sullen absorbeeren". En ook "Dat bij Zomertijd de Boter van dien aerd is, dat se het dreunen over de straat niet kan verdragen, …" en "Dat de Bakkers, Grutters, Biersteeker, Vleeshouwers en ook de Arbeiders, welke alle dagen deeze weg moeten passeeren om haere waeren te debiteeren [aan de man te brengen] en hun werk te verrigten, seer veel souden werden benadeelt". Zoals hiervoor al aangegeven nam men pas in 1804 een besluit tot bestrating. De boter moest er toen maar tegen kunnen. En de tollen kwamen er ook, al behoren die nu al weer vele jaren tot het verleden.
Albert Niphuis