Wassenaar was rond 1900 een klein boerendorp, omringd door uitgestrekte wei- en hooilanden, bollenvelden, bossen, landgoederen en duinen. De meeste inwoners verdienden met hard werken een karig loon. Verder hielden ze weinig tijd (en geld) over om leuke dingen te doen. Er waren onder hen die zelden of nooit de gemeentegrens passeerden en over verre reizen alleen maar konden dromen. De ‘gewone man’ verplaatste zich meestal te voet, de beter gesitueerden hadden een rijtuig of huurden er een.
Wassenaar maakte in 1893 een grote sprong voorwaarts. Toen begon de Wassenaarse logementhouder Albertus Wilhelmus Beijersbergen een omnibusdienst tussen het dorp Wassenaar en het station in Voorschoten. Met ingang van 23 maart 1893 konden passagiers zich melden bij café De Gouden Hoorn op de hoek Langstraat/Kerkstraat (nu bekend als restaurant Broeders) om daar in de door twee paarden getrokken omnibus te stappen. Na een ritje van een half uur bereikte de reiziger het station en dan lag, via het spoor, heel Europa voor hem of haar open.
A.W. Beijersbergen was een centrale figuur in die dagen. Als 28-jarige stalhouder was hij in 1873 (het raadhuis in de Langstraat was net gebouwd) in het huwelijk getreden met de twintigjarige Jacoba Petronella Knijnenburg. Zijn herberg, rond 1900 aangeduid als ‘koffiehuis’, was een belangrijke plaats van samenkomst. Allerlei verenigingen kwamen hier bijeen. In aanwezigheid van een notaris vonden er veilingen van onroerend goed en andere zaken plaats. Ook werden hier bouwwerken openbaar aanbesteed. Beijersbergen hield bij zijn herberg een stalhouderij met paarden die in het weiland ter hoogte van het huidige Burchtplein liepen. Schuin tegenover de herberg, ongeveer waar nu fotostudio Van der Plas is, stond het bijbehorende koetshuis. Ook hield Beijersbergen koeien.
De eerste omnibus vertrok dagelijks om 9.55 uur stipt, om op 10.25 uur aan te komen bij het station. Voor een ritje betaalde je in 1893 tien cent, voor eventuele bagage vijf cent extra. Had je de bus gemist, dan duurde het tot 17.05 uur eer de volgende uit de Langstraat vertrok. Daarna maakte de bus dezelfde dag nog vijf ritten. De laatste begon om 21.40 uur bij het station in Voorschoten, waarna men om 22.10 uur bij De Gouden Hoorn arriveerde. De rit ging via de Langstraat, over de Lange Kerkdam en de toen nog smalle Papeweg, die voor een deel nog naast de huidige verkeersweg ligt. De bus passeerde het tolhuis dat nog steeds aan de Papeweg staat. De Wassenaarse onderwijzer en rentmeester Eduard Houbolt geeft in zijn boekje “Wassenaar en omstreken. Gids” uit 1904 een beschrijving van een rit met de bus. Hij mocht naast de bestuurder en tevens conducteur Huub op de bok zitten: ‘Daar passeren we den tol, bij een boerderij van Jhr. Steengracht van Duivenvoorde, wiens fraai slot Duivenvoorde niet ver vandaar onder Voorschoten ligt. De tolbaas, Van Santen, kijkt even naar buiten, of hij ook een dubbeltje kan machtig worden, doch met een: “’t is de bus maar”, wipt hij weer naar binnen. Voor den omnibus wordt een vaste som per jaar betaald.’
Een financieel succes is de busdienst nooit geworden. De gemeente moest zelfs geld bijleggen in de vorm van een subsidie. Na dertig jaar, zo blijkt uit oude foto’s, begon de omnibus behoorlijk af te takelen. Aan onderhoud werd blijkbaar niet veel meer gedaan. In 1923 werd deze busverbinding uiteindelijk opgeheven.
Robert van Lit

De paardenbus van Beijersbergen op een ongedateerde foto.