Zo’n vijftig jaar geleden deelde Cees van der Kleij zijn herinneringen aan de taxiwereld met een journalist. Van der Kleij was als jong ventje begonnen als piccolo bij het deftige hotel De Nieuwe Deijl. “Daar kwamen soms gasten met een auto. Die voertuigen liepen wel eens vast op de zandpaden en dan moesten wij hem eruit halen.”
Op een gegeven moment kwam er een man met een kapotte wagen. Zijn ontstekingsregelaar was afgebroken. De man moest helemaal naar Parijs om een nieuwe te halen. Tijdens zijn afwezigheid stond de auto bij het hotel in een schuur. Van der Kleij fabriceerde in een paar vrije uren zelf een ontstekingsregelaar van een koperen plaat. Het ding werkte. “Met die auto heb ik wel twee dagen door het dorp rondgereden. Maar ja, de man kwam terug en met hem verdween de wagen. Toen was ik zestien jaar.” Dat was rond 1905.
Twee jaar later zag Van der Kleij een advertentie in de krant waarin chauffeurs werden gevraagd voor de eerste taxi’s in Den Haag. Het taxibedrijf zat in de Haagse Casuariestraat. De kandidaten moesten minstens achttien jaar zijn en mochten geen bril dragen. Van der Kleij stopte zijn bril weg en maakte met de directeur zelf een proefrit in het Haagse Bos. Hij bracht er niets van terecht, maar werd toch aangenomen. De vier Spykers van taxibedrijf Oostmeijer waren zeer luxe, snelle auto’s die op topsnelheid zo’n 50 kilometer per uur haalden. Starten gebeurde met een slinger aan de voorkant van de auto. Richting aangeven deed je met je arm en er werd getoeterd door in een rubberen bal te knijpen die een koperen hoorn van lucht voorzag.
Van der Kleij was dag en nacht op pad met zijn taxi. In zijn ogen was Den Haag toen een ‘wilde’ stad waar flink gedronken werd en in illegale instellingen flink werd gegokt. Van der Kleij kon zich de casino’s nog goed herinneren. “Er was er een in de Korte Houtstraat en ook in Wassenaar werden enorme bedragen ingezet bij de Daileyclub aan de Groot Haesebroekseweg. Eens moest ik daar een man oppikken die letterlijk alles verloren had. De portier van de club beloofde me de meterprijs te betalen als de man het zelf niet meer kon.”
Ook het koninklijk huis maakte gebruik van de taxi van Van der Kleij. “Ik heb prins Hendrik eens gereden. Hij stapte in bij het Huis ten Bosch en verliet de wagen op de Prinsessegracht. Vriendelijk zei hij goedendag. Geld kreeg ik niet, want dat had hij niet op zak. Erg was dat niet, mijn baas vond het een mooie reclame.”
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de benzine schaars en taxiritten onbetaalbaar. De klandizie liep terug en veel taxibedrijven gingen over de kop. Van der Kleij stapte over naar een rijwielbewaarplaats. Na nog enkele andere baantjes nam hij een zaak over in elektriciteitsartikelen in de Wassenaarse Schoolstraat. Zijn carrière als taxichauffeur was voorgoed ten einde.
Robert van Lit
Cees van der Kleij achter het stuur van zijn taxi, ca. 1907. Foto uit: L.G. Oosterling, Kent u ze nog…de Wassenaarders, 2de druk 1981.