Vrije vaarders en marktschippers
Eeuwenlang woonden beroepsschippers in ons dorp. Meestal twee tot vier, alleen in de Bataafs-Franse tijd, toen het slecht ging met de economie, had slechts één schipper zijn domicilie in Wassenaar.
Een aantal van hen vervoerde in vrije concurrentie bulkgoed, zoals zand, agrarische producten, mest en turf. Enkelen dreven ook een eigen handel, bijvoorbeeld in bier. Hier kwam geen overheidsbemoeienis aan te pas. Anders was dat met de marktschippers. Sinds de 17e eeuw steeds één schipper die tegen betaling van een jaarlijkse som de exclusieve toestemming kreeg van de ambachtsheer Van Wassenaer om als marktschipper te varen naar Leiden. Hij voer met personen en stukgoed, bijvoorbeeld vaten, zakken en kisten. Op marktdag meerde hij af bij de Kippenbrug over de Nieuwe Rijn. Hier had hij voor 1,50 gulden per jaar (in 1843) een vaste ligplaats. Om ongewenste concurrentie te voorkomen, mocht de schipper na het afleveren van zijn vracht niet op zoek naar een retourlading, maar moest wachten op hetgeen gebracht werd.
Behalve de marktschipper naar Leiden was er ook een Wassenaarder die als enige een veertiendaagse beurtdienst op Rotterdam en elke vier weken op Amsterdam onderhield. Om op tijd te arriveren werden de reizen grotendeels ‘s nachts gemaakt. Daarbij was het traject naar Amsterdam, vooral de oversteek van het grote Haarlemmermeer, erg gevaarlijk in het donker, zeker als je niet goed kon zien. Beurtschipper Jacobus Meulenburg durfde dat niet meer aan, nadat hij aan één oog blind werd. In 1779 vroeg hij toestemming aan de ambachtsheer om zijn dienst te mogen verruilen met die op Leiden, toen daar een vacature ontstond door het overlijden van schipper Jan Roggeveen.
De marktschippers, ook wel genoemd beurtschippers, waren verplicht om op afgesproken dagen te varen. Voor een breed scala aan zaken moesten ze vaste vrachtlonen hanteren, die de ambachtsheer vaststelde. De laatste tariefswijziging was in 1798. Naar Rotterdam werd bijvoorbeeld enkele reis voor een persoon 10 stuivers gerekend, een hond 6, een grote koffer 8, en voor een ton bier 9 stuivers. Het tarief naar Amsterdam lag wat hoger, naar Leiden een stuk lager. Daar kwam een persoon al voor 2 stuivers. Ter vergelijking: een geschoolde arbeider verdiende rond 1850 in Wassenaar ruim 24 stuivers per dag. De aanstelling tot marktschipper was blijkbaar gewild. Zodra een positie vacant raakte, stonden direct kandidaten te dringen om het over te nemen.
De diensten op Rotterdam en Amsterdam werden vanaf 1816 onderhouden door de onderneming van Willem Vogels. Deze kon echter door gebrek aan vracht in de jaren 1840 niet meer op de afgesproken vaste tijden varen. Mogelijk was de opkomst van de trein hieraan debet. Overigens kon de dienst op Leiden, eerst door Jan Oosterveer en sinds 1833 zijn zoon Hendrik, wel volgens plan uitgevoerd worden. Elke zaterdag in alle vroegte heen en om twaalf uur vanuit Leiden terug naar het Slooteinde, waar de familie Oosterveer toen ook woonde.
Albert Clobus

Schepen aan een dorpskade rond 1841 (houtgravure in H. Brown, “De Nederlanden”, collectie en foto auteur).