Op 24 november 1919 ontving het College van B&W van Wassenaar een schriftelijk verzoek van “eene Maatschappij tot exploitatie van luchtlijnen”, de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij voor Nederland en Koloniën (afgekort tot KLM). De brief was ondertekend door Albert Plesman (1889-1953), in de hoedanigheid van administrateur, vanuit het kantoor aan de Heeregracht 13 in Den Haag. Het ging hier natuurlijk om de KLM, nog maar net opgericht, op 7 oktober 1919.
Deze werd ondersteund door een 8 koppige Raad van Bestuur met kapitaalkrachtige ondernemers als Anton Kröller (1862-1941) en Frits Fentener van Vlissingingen (1882-1962). Voorzitter was de invloedrijke, later vijfvoudig minister-president Hendrik Colijn (1869-1944).
Waar ging het om? Het betrof een verzoek om toestemming, om in Wassenaar, aan de Maaldrift, een terrein aan te wenden voor “de eerste luchtlijn die Nederland met het buitenland zou verbinden. Een terrein “gelegen onder Uwe gemeente en welk thans in gebruik is afgestaan aan het garnizoen te Leiden”. Als eerste land was gekozen voor Engeland. Om te beginnen zou per 1 januari 1920 dagelijks één vliegtuig vertrekken en landen. Het ging om een “proefdienst” men wilde er nog geen feestelijkheden of vertoon aan wagen. Voor het vervoer werd gesproken van een “klein, zeer snel toestel” met plaats voor 2 passagiers. Gelukkig was het vliegtuig door de Engelse regering als “luchtvaardig gegarandeerd, terwijl de bestuurders alle hun brevet van bekwaamheid voor den passagiersdienst bezitten”. Een belangrijk argument van Plesman en zijn mede-oprichters van de KLM om Wassenaar over de streep te trekken. Dat lukte, want prompt werd op de brief van 24 november door de Wassenaarse burgemeester Jhr. Bertram Storm van ’s-Gravesande (1873-1959) schriftelijk geantwoord dat er geen bezwaar was tegen “de opening van de daarin bedoelden vliegdienst”.
In de maanden daarna is aan de Maaldrift hard gewerkt aan de voorbereidingen van de vliegdienst. In een brief van 17 juni 1920 schreef het Wassenaarse College van B&W aan de Heeren Gedeputeerde Staten der provincie Zuid Holland dat er in Wassenaar inmiddels sprake was van een vliegterrein van de Haagse Koninklijke Luchtvaar Maatschappij en Koloniën. In de omschrijving was het terrein “lang 400 meter en breed 400 meter en de grond (geestgrond, weiland) gedeeltelijk gedraineerd”. Er bevond zich een loods “lang 25, breed 25 en hoog 5 meter”. Door B&W werd ook aangegeven dat het terrein niet alleen werd gebruikt voor luchtvaartverkeer voor de “dagelijkschen dienst tot vervoer van reizigers van en naar Engeland” maar ook voor het houden van “kleine pleziervluchten”. De belangrijkste mededeling kwam aan het eind van de brief: het vliegterrein was sinds enige weken “als zoodanig” in gebruik genomen!
Op 8 mei 1920 had vanuit Maaldrift inderdaad een geregistreerde proefvlucht naar het Engelse vliegveld Croydon plaatsgevonden. Er was een echte hangaar verrezen waarop met grote letters KLM was aangebracht. Maar, nog diezelfde maand, op 17 mei, werd de eerste officiële vlucht van de KLM gehouden vanaf…. Schiphol. Albert Plesman, inmiddels directeur van de KLM, had het roer plotseling omgegooid; hij verkoos Schiphol boven Maaldrift. Ongetwijfeld tot grote vreugde van de gemeente Amsterdam. Schiphol, aanvankelijk een militair vliegveld was in 1920 ook opengesteld voor burgerluchtvaart, het bood meer ruimte. Ook was de grond minder drassig dan op de Maaldrift (waarover de Engelse piloten vanaf het begin hadden geklaagd). Wat bij Plesman ook heeft meegespeeld was dat hij van de PTT een lucratief aanbod had gekregen om vanuit Schiphol ook luchtpost te gaan verzorgen.
De KLM organiseerde in augustus 1920 vanaf Maaldrift nog wel een aantal pleziervluchten. Bovendien landden er incidenteel militaire toestellen. Maar in 1921 had Maaldrift voor het gemotoriseerde luchtvaartverkeer al geen officiële status meer. En toch had Wassenaar voor de KLM de primeur….
Jisk Heslinga