Ida werd op 11 mei 1905 in Gorkum geboren. Haar vader was timmerman en ontwikkelde zich via het vak van leraar bouwkunde tot directeur van de Gorkumse Ambachtsschool. Later kreeg hij diezelfde functie in Schiedam en vervolgens in Rotterdam.
Ida bezocht in deze stad het Gymnasium en toen het gezin in 1923 naar Wassenaar verhuisde, ging ze samen met haar vader met de tram en de Hofpleinlijn naar Rotterdam. Van 1923 tot 1933 woonde het gezin Gerhardt op de Lange Kerkdam 8a en van 1933 tot 1935 op het adres Van Zuylen van Nijeveltstraat 15. De ouders van Ida en haar 6 jaar oudere zus Truus, die ook gedichten gepubliceerd heeft, liggen begraven op de begraafplaats naast de Dorpskerk.
Ida heeft klassieke talen gestudeerd. Ze is lange tijd werkzaam geweest in het onderwijs, zowel in Kampen als in Bilthoven. Hier was ze werkzaam op het uiterst progressieve onderwijsinstituut van Kees Boeke: De Werkplaats.
Ze is echter vooral bekend geworden als schrijfster van gedichten. Ze wordt wel de belangrijkste dichteres van de vorige eeuw genoemd. Dichtbundels als: ‘Het veerhuis’, ‘De argelozen’, ‘Het sterreschip’ en ‘De zonen van het licht’, om een losse greep te doen, werden in de loop der jaren gepubliceerd. Aardig om te weten is ook, dat in de klok van de Dorpskerk van Voorschoten een gedicht van haar staat gegraveerd. Dat al dit werk niet onopgemerkt gebleven is, blijkt onder andere uit de vele prijzen die haar zijn toegekend. Als voorbeeld: de Martinus Nijhoff-prijs en de P.C. Hooft-prijs.
In 1990 overlijdt haar levenspartner Marie van der Zeyde. Marie en Ida kenden elkaar al van het Gymnasium te Rotterdam. Ida zelf is op 15 augustus 1997 in een verzorgingshuis te Warnsveld overleden en enkele dagen later gecremeerd.
Als voorbeeld van haar werk één van haar bekendste gedichten:
Het Carillon
Ik zag de menschen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, -
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving over heel de stad te hooren
de beiaardier te spelen aan.
Valerius: - een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
“Wij slaan het oog tot U omhoog”.
En één tusschen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakelooze samenkomen
en Hollands licht over de stad, -
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zoo bitter, bitter liefgehad.
Op 9 juni 1941 – tijdens de Tweede wereldoorlog - stuurde ze het gedicht naar de redactie van het tijdschrift De Gids. Ze kreeg ter overweging of het woord
‘geschonden’ misschien vervangen kon worden door bijvoorbeeld ‘heldhaftig’ .Uit haar antwoord valt te lezen dat ze hier niet zoveel voor voelde. Vervolgens ging Martinus Nijhoff zich ermee bemoeien. Ida stelt voor om als het woord echt vervangen moest worden, het woord ‘geteisterd’ te gebruiken. Wanneer voor het woord ‘heldhaftig’ gekozen zou worden, is ze van mening, dat het gedicht een kwartslag zou omdraaien. (Prachtig uitgedrukt!).
In deel III van de jaargang 105 van De Gids (1941) werd het gedicht opgenomen, en het woord ‘geschonden’ stond er ongeschonden in. Terecht lijkt me zo.
Dat enige angst voor de mening van de bezetter hierbij een rol gespeeld heeft ligt voor de hand, maar dat zou voor het gehele gedicht kunnen gelden.
Carl Doeke Eisma, met dank aan Mieke van den Berg

Uit: Ritme en rijm //, 1960, Stichting Nederlandse schoolradio, blz. 24 (De illustrator is onbekend).