Velen van u zullen ongetwijfeld op de middelbare school tijdens het bespreken van een stuk tekst geconfronteerd zijn met de vraag: is hier sprake van proza of van poëzie? In het boek Leesboeken, letterkunde voor voortgezet onderwijs, dat ik een jaar of vijftig geleden geschreven heb, vroeg ik mij al af of er een wezenlijk verschil bestaat tussen beide.
Ik kwam tot de conclusie dat dat niet (meer) het geval is. In de vorige eeuw is men gaan experimenteren met beide mogelijkheden om iets via woorden duidelijk te maken en hierdoor zijn proza en poëzie in elkaar overgevloeid. Denk bijvoorbeeld aan het werk van Paul van Ostayen en Bert Schierbeek. Toch denken we bij een gedicht nog vaak aan kortere zinnen, rijm en een zeer gecomprimeerde vorm om gevoelens over te brengen. De mooiste omschrijving die ik van beide vormen tegenkwam is de volgende: De prozaschrijver richt zich rechtstreeks tot de lezer.
De dichter spreekt met zijn rug naar de lezer toe en die lezer kijkt over zijn schouder mee.
Als voorbeeld een gedicht door een dorpsgenoot, Bill van der Meulen (1923-2006) rond de eeuwwisseling geschreven, met als onderwerp een schilderij door een Wassenaarse kunstenares gemaakt.
Eentje
Verbluft bekeek ik in de Molen
De vloedgolf van zoveel talent.
Een indrukwekkend panorama
Waar je dan even stil van bent.
Een landschap hoog en breed bemeten,
Een indrukwekkend zelfportret,
Een grote bloemencompositie
In forse streken opgezet.
Maar dan is daar opeens dat kleine
Verstilde droombeeld dat mij raakt.
Vier eendjes, zwemmend in een vijver,
Dat Irm de Voogd-Soer heeft gemaakt.
Die symfonie van blauwe tinten
Hield mij volledig in de ban.
Een sprookje in een harde wereld…
Er is maar eentje die ’t zo kan.
Bill van der Meulen
Knap hoe hier met de woorden eentje en eendje wordt gespeeld en u ziet het, we kijken over de schouder van Bill mee naar al die schilderijen.
Carl Doeke Eisma