In het Huisarchief Twickel, maar ook in het archief in kasteel Duivenvoorde bevinden zich exemplaren van een gedrukte akte van schout en schepenen van Wassenaar van 1 november 1786, waarin uitvoerig wordt beschreven dat een aantal eigenaren van geestland tal van perceeltjes met elkaar ruilen.
Het ging om stukjes geestland aan beide zijden van wat nu de Rijksstraatweg is, toen nog bekend als “de Ryweg genaamt de Zandzee”, in de omstreken van de huidige Van der Oudermeulenlaan. Maar in feite lag de Zandzee toen ook nog op veel van deze aan particulieren toebehorende perceeltjes. Er waren 16 eigenaren bij betrokken en het betrof 183 perceeltjes. De totale oppervlakte daarvan was bijna 38 morgen, ofwel iets meer dan 32 ha. Dat betekende dat de oppervlakte van de perceeltjes gemiddeld ca. 0,17 ha was. Het geestland was dus nogal versnipperd.
In de bovengenoemde akte staat dan ook: “Te kennen geevende, dat hunne respective partyen Geestlanden door elkander leggende, en de precise legging derzelve niet konnende bepaald werden, sommige van de Geestlanden voor hun Comparanten tot hier toe vrugteloos en tot last waaren geweest; dat zy Comparanten daaromme dezelve met elkander hadden verwisseld en geruylt, zoodanig dat een ieder van hun desselfs Geestlanden nu aan elkander, of wel voor hunne andere Landen, hadden leggen”. En: “Welke Verwisseling en Ruyling de Comparanten verklaarden met onderling genoegen te hebben gedaan in maniere als volgt”. En dan volgen voor vier gebieden, het 10e, 16e, 17e en 18e bon, de namen van de eigenaars of hun vertegenwoordigers en de nummers van hun percelen. Vervolgens wordt bij elke eigenaar aangegeven van welke percelen afstand wordt gedaan en welke percelen hem of haar worden toebedeeld. Bij de namen der eigenaars zien we ondermeer de baronnen Van Bemmel, mevrouw Van Duvenvoirde, Francois van Eck, Jan Meeze Langeveld, Claas Claverweyde, Cornelis Johannes Bloys van Treslong alsmede Pieter Oudshoorn en Willem van der Tak, Kerkmeesteren van de Gereformeerde Kerk te Wassenaer. De hervormde kerk van Wassenaar had daar ook wat geestland en werd toen nog aangeduid als ‘gereformeerd’.
Het ging al met al om een bescheiden oppervlakte, maar het was naar ik meen in de 18e eeuw een nog weinig voorkomende werkwijze. In de 19e eeuw wordt in Nederland al wel het belang van het ruilen van grond genoemd, door bijvoorbeeld de landbouwkundige en geoloog dr. W.C.H. Staring in 1862. Het kwam in ons land echter pas in de 20e eeuw op gang onder de term ‘ruilverkaveling’ en dan lag de nadruk heel erg op de verbetering van de landbouwstructuur. Daarvan was bij de ruiling van de geestlanden naar ik meen nauwelijks sprake. Wel werden in het genoemde gebied inmiddels eiken aangeplant voor de houtteelt.
Maar dat de grond niet geschikt was voor akkerbouw kwam ook tot uiting in de waarde van het geestland. Bij sommige eigenaren werd de oppervlakte wat verkleind; in feite verkochten ze dan wat, terwijl anderen er wat bij kochten. Schout en schepenen hadden daartoe de waarde geschat op 15 gulden per morgen.
Voordat het allemaal in de genoemde akte werd vastgelegd, waren schout (toen Adriaan van der Does) en schepenen op een aantal plaatsen in het gebied geweest, ondermeer bij ‘t Huys ’t Hoefyzer (ietsje ten noordwesten van waar nu het kasteel De Wittenburg staat) en bij de geestlanden van ‘t Hofje ten Hogenlande (nu het Van Ommerenpark). In hun aanwezigheid werden dan palen geslagen teneinde eigendomsgrenzen vast te leggen. Het was nog ongeveer veertig jaar voordat de metingen ten behoeve van het kadaster in gang werden gezet.
Albert Niphuis