Toen ik het woord "teercosten"voor het eerst tegenkwam in de financiële jaarrekeningen van de Dorpskerk van de 17e eeuw, dacht ik in eerste instantie dat het om het teren van de schutting in de tuin van de dominee ging. Want daar was steeds werk, elk jaar een paar karren mest; soms nieuwe fruitboompjes planten. Maar het bleek te gaan om kosten van wat we momenteel "verteringen" noemen. In de rekening van 1644 ging het voor de kerkbestuurders om een bedrag van ruim 82 gulden in iets meer dan een jaar. Dat bedrag zou niet om van te schrikken zijn, als een paar bladzijden eerder niet het jaarsalaris van de schoolmeester stond, 124 gulden. (108 voor de lessen en 16 voor het stellen van de kerkklok). Nu waren er in die periode extra vergaderingen geweest, in verband met een kerkrestauratie en had men veel vergaderd ten huize van de schout. Maar toch.
Na verloop van tijd moet ook het hoogste gezag, de Heer van Wassenaer en Zuidwijk geconcludeerd hebben, dat het iets te gemakkelijk ging. Blijkens een stuk in het Huisarchief Twickel, zond Jacob IV van Wassenaer op 23 november 1666, een brief naar de secretaris van de Baronnije, de heer J.H. Winkel, met een aantal voorschriften inzake het jaarlijks tegen Pasen opmaken van de "kerkerekeningen". Zowel de inkomsten als de uitgaven moesten steeds op een heel kalenderjaar betrekking hebben. Opmerkelijk daarbij is dat hij de inkomsten van 1665 naast de uitgaven van 1666 wilde zien. Een poging om de tering naar de nering te zetten? Ook mochten geen leningen afgesloten worden of land ge- of verkocht worden, zonder zijn toestemming.
Maar het meest viel op, een passage waarin hij schrijft dat wanneer in de toekomst de kerkbestuurders, de rentmeester en en de kerkmeesters zouden vergaderen, "geen gelaagen oft verteeringe meer sullen gedaen werden". En die mochten zeker niet in rekening gebracht worden. De vergaderingen zullen in de consistoriekamer plaatsvinden en ook werd betrokkenen opgedragen een bedrag te noemen waarvoor men bij het opmaken van de kerkerekeningen "een fatsoenlijcke maeltijt soude konne doen" opdat na goedkeuring daarvan "alle onnodige verteringe mochte afgeschaft weerden"
Blijkens het gemeentearchief alhier werd de brief een dag later in Wassenaar voorgelezen aan de raadsheer Joh. van Strijen, de baljuw Nicolaes van Persijn, de commies Willem Havius, de Heilige Geestmeesters en kerkmeesters en de rentmeester van de kerkelijke goederen, de heer H. van Thol, "diewelcke dieselve gesaementlick te dank aengenomen , onder promisse van dieselve naercoming". In dank aanvaard en het nakomen ervan toegezegd.
Albert Niphuis.