Het volgende gesprek tussen twee Wassenaarse dames bij de kassa van één van de supermarkten die ons fraaie dorp rijk is, kon mij niet ontgaan, al was het alleen al omdat het op uiterst luide toon gevoerd werd.
“Zeg, Monique, wat heb jij daar in je karretje liggen? Drie pakken koffie van een onbekend merk?” “Inderdaad, want die zijn vandaag in de aanbieding.” “Maar meid toch, je weet toch wel dat het typisch koffie voor Wassenaar Noord is!”
Wassenaar Noord en – naar ik aanneem – Wassenaar Zuid. En dan te bedenken dat ons dorp tot het begin van de vorige eeuw een eenvoudig boerendorp was. Hoewel eenvoudig; Eduard C. Houbolt geeft in zijn boekje uit 1904 ‘ Wassenaar en Omstreken’ hoofdstuk VI de titel mee: Harer Majesteits Landgoederen: Raaphorst, Ter Horst en Eikenhorst.
Wanneer je aan mensen die niet het geluk hebben om in Wassenaar te mogen wonen vertelt, dat je wél in dit dorp woont, wordt er door de meeste van hen vanuit gegaan, dat je op z’n minst tot de gegoede burgerij gerekend moet worden. Kennelijk geldt dat niet voor alle inwoners van ons dorp gezien bovenstaande opmerking bij de kassa. Nu kun je een dorp of een stad op verschillende manieren in wijken verdelen. Meestal gaat het om een kern en enkele daaromheen liggende wijken. Vraag me overigens niet waar ik de grens zou moeten trekken tussen Noord en Zuid. En waar hoort Kerkehout bij? Of ligt die wijk alleen maar aan de verkeerde kant van de Rijksstraatweg?
Wat is er met dat eenvoudige boerendorp gebeurd? Waarom wordt Wassenaar tot de rijkste gemeenten van ons land gerekend?
Ed Janson geeft ons in zijn boekje ‘Wassenaar, historische verkenningen’
(1967) antwoord op deze vraag. Hoe is, na eeuwenlange rust, die vrij plotselinge en snelle ontwikkelingsgang te verklaren, zo vraagt hij zich af. In de eerste plaats kwamen in het begin van de twintigste eeuw vrijwel gelijktijdig grote stukken grond te Wassenaar aan de markt. Verder noemt hij de opening van het spoorlijntje Rotterdam - Scheveningen in 1908, dat ook in Wassenaar enkele halteplaatsen kreeg. Hierdoor werd onze gemeente gemakkelijker bereikbaar voor Rotterdammers die buiten wilden wonen. En tenslotte werd er in diezelfde periode een begin gemaakt met de sociale woningbouw (Kerkehout en Oostdorp). Telde Wassenaar in 1910 nog 4200 inwoners, in 1922 werd het aantal van 7000 bereikt. Het valt te begrijpen dat al die duizenden nieuwe bewoners, die bovendien bijzonder veel noten op hun zang hadden, door de oorspronkelijke dorpsbewoners als indringers werden beschouwd, zo merkt Ed op.
Een deel van die nieuwe inwoners is kennelijk in Wassenaar Zuid neergestreken.
Carl Doeke Eisma