Sint Willibrordusschool, Van Heeckerenstraat, september 1951 - juli 1957
“Weten zonder geweten is de verwoesting van de ziel” ( begintekst rapportboekje)
Alle kinderen die in 1951 6 jaar zouden worden mochten door de geboortegolf naar de lagere school, hierdoor zat ik op 1 september met 5 jaar in de 1e klas.
Waarschijnlijk door de grote toevloed van leerlingen moest er aan de Van Heeckerenstraat eerst een stuk bijgebouwd worden om alle kinderen te kunnen bergen en zodoende begon mijn 1e klas op de zolder van de kleuterschool in de Willibrordusstraat. Zat ik op de grote school, moest ik toch nog naar de kleuterschool. Na enige tijd werd de 1e klas dan toch verplaatst naar de Van Heeckerenstraat, waardoor ik dagelijks vanuit mijn Rooie Buurt een heel eind moest lopen om op school te komen.
Mevrouw Van der Klaauw was mijn eerste juf en het was voor ons vervelend dat zij ging trouwen en werd vervangen door juf Wegberg, een klein wat streng vrouwtje. Veel is er niet bijgebleven van deze periode en ook niet van de 2e klas met juf De Bruin. In de 3e klas kwam meester Frits Wensveen als beginnend onderwijzer op school (de latere wethouder) en hij was strenger dan wij gewend waren bij onze jufs. Ik heb dan ook diverse keren op de gang moeten staan; het waarom weet ik niet precies meer, maar mijn aandacht was waarschijnlijk te snel afgeleid door het buitengebeuren. Wel weet ik dat ik van meester Wensveen het bamboestokje moest gaan halen bij meester van Dongen om hiermee een paar ferme tikken op mijn kont te krijgen.
Van de 4e klas is mij nauwelijks iets bijgebleven, wel dat er 2 klassen waren. Wie de klassenleraar was weet ik niet meer, volgens mij was er geen vaste leraar en kregen de klassen telkens een invaller; de leraar van de andere 4e klas was meester Smit (pijp Smit). Als hoofd van de school werd in dat jaar de heer Barten opgevolgd door de heer Konst. In de 5e klas, ook 2 klassen kwam ik in de klas bij meester Van Dongen. In het begin was de verhouding niet zo best, maar na een paar maanden veranderde dit en konden wij goed met elkaar overweg, Uitstekend was ik in geschiedenis en met name bij het opdreunen van een bord vol jaartallen en de daarbij bijbehorende gebeurtenissen.
De overgang naar klas 6 van meester Van Schaick was van de hemel naar de hel. Van Schaick was een man met weinig begrip voor arbeiderskinderen. Toen ik hem enthousiast vertelde dat ik bij Blauw Zwart voetbalde, waar hij voorzitter was, was zijn antwoord “als doelpaal zeker”. Bij het schoolzwemmen vond hij dat je een baksteen niet kon leren zwemmen. Toen ik dankzij de extra lessen bij de Zilvermeeuwen toch mijn zwemdiploma behaalde, voelde dit voor mij als een grote overwinning op deze, voor mij, nare man.
Zonder zittenblijven haalde ik de eindstreep van de lagere school en doordat ik met 11 jaar nog niet naar de ambachtschool in Den Haag mocht en mijn moeder de 7e klas geen optie vond werd ik tijdelijk, dacht ik, gestald op de RK ULO in de Kerkstraat.
André de Kleine