Zijn meest tastbare sporen zijn de twee scoutinggroepen die Wassenaar op dit moment rijk is: de Van Woesikgroep en Scouting de Paauw, beide gesitueerd langs de Zijlwetering. Beide groepen maken deel uit van de landelijke organisatie Scouting Nederland, maar ook van de World Organisation of the Scout Movement (voor jongens) en de World Association of Girl Guides and Girl Scouts (voor meisjes).
Samen hebben zij ca 55 miljoen jeugdleden wereldwijd in bijna alle landen op de wereld. Scouting staat voor samenwerken en avonturen beleven, zelfstandig worden, exploreren, zorgen en respect hebben voor de natuur. Wat 115 jaar geleden begint op Brownsea Island in Engeland bestaat nog steeds. Maar wanneer kreeg Wassenaar met de Padvinderij of de Verkennerij, zoals dat vroeger werd genoemd, te maken?
Terug in de tijd, om precies te zijn naar 1932, komt de oprichter van deze landelijke jeugdbeweging naar het landgoed Oosterbeek in Wassenaar. Daar wordt het eerste nationale zomerkamp georganiseerd voor ruim 3000 padvinders/verkenners uit heel Nederland. Nationaal is de insteek, maar ook enkele tientallen Franse, Engelse, Schotse, Deense en Hongaarse deelnemers zijn van de partij. Chief-scout Lord Baden-Powell komt hoogstpersoonlijk uit Engeland op bezoek om dit bijzondere kamp - een uitvloeisel van zijn in 1907 bedachte plan om iets voor jongens te organiseren - met eigen ogen te aanschouwen.
Baden-Powell heeft zijn echtgenote ook aangestoken met het scouting-virus. Zij sticht een identieke wereldorganisatie voor meisjes. In Wassenaar wordt in 1934 al een propaganda-moment georganiseerd om een stichting voor een kabouterkring op te kunnen richten. En zo ontstaan de kabouter- en gidsen groepen in ons dorp. Onderkomens voor de vele meisjesleden waren te vinden in de Schoolstraat, de Kerkstraat, de Willibrordusstraat en op de buitenplaats Ruys aan de Paauwlaan. De namen van de groepen: Margaretha Sinclair, Priscilla en de Spoorzoektsters.
In 1959 begeef ik mij voor het eerst op het pad van “Verkennen voor jongens”, de Nederlandse vertaling voor het boek “Scouting voor boys” van Lord Baden-Powell. Ik ben een welp geworden bij de Pacelligroep in Deijleroord. Onze hut stond naast de boerderij Klein Deijleroord van de familie van Eeden. Mijn buurjongen Wim Herfst, was eveneens welp, maar hij hoorde bij de Monties en zij hadden een fraai clubgebouw op het terrein tussen de Deijlerweg en de Rijksstraatweg. Tegenover Wim en mij woonde Fred Kenens. Ook hij was welp maar dan weer bij de Willibrordusgroep aan de Zonneveldweg. Op de een of andere manier horen wij allemaal bij elkaar; alleen dat besef is er nog niet zo bij onze leeftijdsgroep op dat moment.
In 1960, op Sint Jorisdag op 23 april, hebben ook alle verkenners en welpen voor het raadhuis de Paauw gestaan om deze jaarlijkse scouting-dag te vieren. Het zijn padvinders, land- en zeeverkenners, voortrekkers en heel veel welpen en ook nog eens van verschillende groepen. Het kampvuur dat traditiegetrouw ook ’s-avonds bij deze dag hoort brengt ons telkens weer ergens anders. Ik kom voor het eerst bij de Koepel op het landgoed Backershagen, waar de Marlijngroep -opgericht in 1929- een onderkomen heeft gevonden. Dat is nog eens een spannend clubhuis! Maar ook een kampvuur bij de zeeverkenners van de Van Woesikgroep is geweldig. Zij hadden een onderkomen gevonden bij de boerderij Zuidhof van Piet Westgeest aan de Rijksstraatweg.
Marcel Spierings.

Installatie in 1959 van de Zwarte Dassenbak op het land van boerderij Zuidhof van Piet Westgeest. Huizen op de achtergrond staan aan de Deijlerweg.