In 18e- en 19e-eeuwse documenten over Wassenaarse herbergen in het gemeentearchief, is een aantal malen een kolfbaan genoemd. Bijvoorbeeld bij het Huis den Deijl en het Wapen van Wassenaer (nu Regthuys) aan het Plein. Dit riep de vraag op hoe een dergelijke baan er eigenlijk uitzag en wat men er deed.
Kolven werd in de loop van de achttiende eeuw in de Nederlandse provincies een razend populair balspel. De veerkrachtige bal, met een diameter van ruim tien centimeter, had meestal een kern van hard rubber, omkleed met wit leer dat met koperdraad was vastgenaaid. De baan die voor het spel nodig was, moest vlak en waterpas, ongeveer twintig meter lang, vijf meter breed en voorzien zijn van een harde opstaande rand. Op ongeveer twee meter van elk uiteinde stond in de lengteas van de baan een zware, bijna manshoge, ronde paal. Bij voorkeur moest de baan ook droog zijn, om de bal beter te laten rollen. Daarom werden vele banen overdekt, zoals bij Huize Den Deijl en het Wapen van Wassenaer, waar het baangebouw ruim 22 meter lang was. Tenminste aan één lange zijde was ruimte voor toeschouwers.
Hoe het spel gespeeld werd, is bijvoorbeeld beschreven in De Nederlanden door Henry Brown in 1841 en Het kolfspel door A.P.L. Spuybroek uit 1909. In hoofdlijnen komt het op het volgende neer. De bal werd voortgerold door het slaan met een stok, die aan de onderzijde voorzien was van een zware koperen “slof”. Het vertrekpunt was bij één der palen. Een speler sloeg de bal eerst richting tweede paal (de uitslag), dan volgens bepaalde regels terug naar de eerste paal (de opslag) en nogmaals richting tweede paal (de eindslag). Het leverde een speler tijdens het spel veel voordeel op als hij bij een slag een paal wist te raken. De volgende slag kon dan vanaf een gunstig punt gemaakt worden. De eindslag sloot een ronde af. De positie waar de bal bleef liggen bepaalde de score. Meestal speelde elke deelnemer vijf rondes. Wie de hoogste som van de rondescores had, was winnaar van het spel.
Tijdens het spel stonden doorgaans drie spelers tegelijk op de baan, terwijl de rest van de maximaal twaalf deelnemers toekeek tot zij aan de beurt waren voor het spelen van een ronde. Daarbij werden natuurlijk wat glaasjes gedronken en Goudse pijpjes met tabak gerookt. Alle kolfbanen waren dan ook bij herbergen gebouwd, ter vergroting van de nering. Niet toevallig schreven spelregels soms zelfs een minimum drankomzet voor, bijvoorbeeld een fles wijn per man, om op een baan te mogen blijven spelen. Ook werd er wel gespeeld met flessen wijn als inzet.
Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw nam in Nederland de belangstelling voor het kolfspel sterk af. Rond 1900 waren alle banen in Wassenaar gesloopt of getransformeerd tot schuur, (auto)stalling of schoollokaal. Ook daarvan is anno 2018 niets meer te zien.
Albert Clobus, maart 2018

Een overdekte kolfbaan rond 1841 (houtgravure in H. Brown, “De Nederlanden”, collectie en foto auteur). Deze baan is aan één zijde open. Daar staan onder het afdak de toeschouwers. De speler bij de achterste paal staat op het punt om de bal te slaan.