Het ligt voor de hand dat u na het lezen van de titel van deze bijdrage denkt dat ik u iets ga vertellen, maar dat is niet het geval. Onlangs kreeg ik van onze dorpsgenoot Henk Karels het boekje 100 jaar Christelijk Onderwijs inWassenaar (1980) cadeau en daarin staat een verhaaltje met bovenstaande titel. Boven nummer 387 van Actueel Verleden staat De meester vertelt en laten opa en de meester het nu over dezelfde school hebben, te weten de school die op het adres Langstraat 32 stond. Ik stel voor om Opa aan het woord te laten.
"Opa is al oud. Hij is al bijna tachtig jaar. Toen hij zes jaar was, ging hij voor het eerst naar school. Die school was in de Langstraat. Er waren drie klassen. De juf was heel lief. In haar lokaal zaten de kinderen uit klas 1 en 2. Het was heel stil in de school. Er waren geen tafels en stoeltjes. Je zat met z'n tweetjes in een bank. Die banken stonden in lange rijen. Er zaten veel kinderen in de klas. Soms wel vijftig! Eerst moest je leren lezen. De letters schreef je op een lei. Je moest een sponsje meenemen naar school. Dan kon je de letters ook weer uitvegen. Je had geen balpen en ook geen potlood. Maar wel een griffel. Met die griffel schreef je de letters op de lei. Ook sommetjes maakte je op de lei. En soms een tekening. Als Opa naar school ging moest hij een pet op zijn hoofd. De meisjes hadden een wit schortje over hun jurk. Er waren toen ook wel eens stoute kinderen. Een meisje, dat heel lastig was, moest vóór de klas staan. En dan zette de juf er een bord voor. Dan kon niemand het kind meer zien. Toen Opa naar de derde klas ging, heeft hij gehuild. Want hij miste de juf zo. En de meester van klas 3 en 4 vond hij niet aardig. De kinderen plaagden die meester. Dan kropen ze onder de banken door. De meester porde ze met de meetlat er weer vandaan. Als je goed je best deed, dan mocht je in klas 4 met inkt schrijven. Er zat een glazen potje in een gat in de bank. In dat potje zat inkt. Je kreeg een penhouder met een pen erin. Die moest je in de inkt dopen. En dan in een schrift! Dan voelde je je heel groot. Toen Opa naar de vijfde klas ging, kwam hij bij de bovenmeester. Zo heette het hoofd der school. Die was heel streng, maar ook aardig. De kinderen durfden nooit te babbelen in de klas. Want ze werden al bang als de meester boos keek. De meester legde de sommen altijd uit. Je mocht ze nooit eerst zelf proberen. Alleen de meester had een aardrijkskundeboek. Daar ging hij van vertellen. Voor de klas hing een grote kaart. Je moest heel veel plaatsen leren. De kinderen hadden ook geen geschiedenisboek. Maar de meester vertelde heel mooi over vroeger. Je moest wel jaartallen leren. Elk jaar was er een schoolreis. Dan kwamen de boeren met hun paarden en wagens. De kinderen deden spelletjes. Dat was de fijnste dag van het jaar. Na de zesde klas gingen bijna alle kinderen van school. Ze moesten dan werken en geld verdienen. Opa mocht doorleren op een school in Leiden. Daar ging hij op de fiets naar toe. Als zijn moeder naar Leiden moest, ging ze met de paardenbus naar Voorschoten. En dan verder met de stoomtrein."
Hoewel ondergetekende zo'n veertig jaar later op de lagere school zat, zou hij dit verhaal zelf verteld kunnen hebben. Veel was er toen nog niet veranderd. Alleen de paardenbus was uit het straatbeeld verdwenen. Misschien een idee om het verhaal van Opa samen met uw kinderen of kleinkinderen te lezen.
Carl Doeke Eisma
:

Uit Het prentenboek van Ot en Sien, 1909, van Cornelis Jetses.