In stukjes die ik voor deze rubriek schreef, ging het steeds om dingen die zich enkele eeuwen geleden afspeelden. Maar tot mijn verrassing trof ik in het archief van de Buurtvereniging Kerkehout en Omgeving onlangs een document aan over iets dat inmiddels ook ‘geschiedenis’ is. De burgemeester van Wassenaar verleende op 18 augustus 1960 vergunning tot een feestavond in het clubgebouw van de Sportvereniging Wassenaar aan de Charlottestraat. Een verzoek hiertoe was gevraagd door de heer J.L.W. Elligens (toentertijd secretaris van de buurtvereniging) namens de heer N. van der Noort van de SV Wassenaar. Verwezen wordt naar de Politieverordening van 1936 voor wat betreft de openingstijd en een vergunning tot het ten gehore brengen van muziek. Zaken, die we ook nu nog wel kunnen plaatsen. Maar wat erg opviel was het derde punt, de “t o e s t e m m i n g tot het geven van gelegenheid tot dansen” voor de genodigden.
Lees meer
Bij de bovengenoemde toestemming was nog een flinke uitleg. Er was een geheel gevuld A4-tje bijgevoegd met een negental VOORWAARDEN. Hier in het kort de meest in het oog springende bepalingen. In de lokaliteit of in de aanhorigheid mochten niet meer bezoekers aanwezig zijn dan het aantal beschikbare behoorlijke zitplaatsen bedroeg. En wanneer daar een buffet aanwezig was, mochten aan de toonbank geen dranken worden gebruikt. Dan zijn er enkele niet geheel ongebruikelijke bepalingen inzake de toiletten. En met een zo te zien vooruitziende blik: “voor de bezoekers moeten steeds alcoholvrije dranken beschikbaar zijn.” En “aan personen beneden achttien jaar mogen geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt”.
Maar dan komt geleidelijk aan het licht waar de overheid risico’s ziet. Er mogen in de lokaliteit waar het dansen geschiedt, niet aanwezig zijn schotten, schermen, gordijnen of andere afscheidingen hoger dan 1,25 meter van de vloer, welke van die lokaliteit een deel afzonderen, tenzij dit deel niet meer ruimte bevat dan nodig is voor het draaien van een toegang gevende deur. Alles moet kennelijk goed in het zicht blijven. Voorts mogen personen beneden achttien jaar gedurende de tijd dat er gedanst wordt of gelegenheid tot dansen wordt gegeven, niet in de ruimte aanwezig zijn, tenzij onder geleide van een voor hen verantwoordelijk meerderjarig persoon, terwijl evenmin aanwezig mogen zijn personen van verdachte zeden of die zich als zodanig voordoen.
Ook moeten personen die onder invloed van sterke dank verkeren, die door hun gedrag aanstoot geven of die op enigerlei wijze met de welvoeglijkheid in strijd handelen, uit de inrichting worden verwijderd. Vrouwelijke personen, niet behorende tot de bezoekers van de inrichting, mogen gedurende de tijd dat in de lokaliteit gedanst wordt, in de inrichting alleen werkzaam worden gesteld in het buffet, voor de verkoop van plaatsbewijzen en voor het toezicht houden in garderobes en toiletten. En ten slotte: “het dansen moet worden geleid door een daartoe door de burgemeester geschikt geacht persoon, zijnde de heer J.L.W. Elligens …” In een verwante vergunning vond ik nog dat de dansvloer niet vervaardigd of bedekt mocht zijn met weerspiegelend materiaal. Want, wat zou er dan al niet in het oog kunnen vallen!
Of de plaatselijke overheid de navolging van al deze bepalingen ook controleerde, kunnen we uit zo’n document niet afleiden. Zelf nam ik in het genoemde tijdsgewricht aan heel wat feestjes deel (zij het buiten Wassenaar) en had er geen flauw idee van dat de overheid zo’n aandacht zou kunnen hebben voor de handhaving van goede zeden als het om dansen ging.
Albert Niphuis