De bovenstaande woorden stonden vele jaren in vrij grote letters aan het eind van aanplakbiljetten waarin een openbare verkoping oftewel veiling van roerende of onroerende zaken werd aangekondigd. In vorige eeuwen vonden zulke publieke verkopingen veel vaker plaats dan tegenwoordig. Alleen al in het jaar 1712, zo’n driehonderd jaar geleden dus, vonden er in Wassenaar veertig veilingen van nogal uiteenlopende zaken plaats.
Het kon gaan om onroerende zaken zoals huizen en/of stukken grond, maar ook om tiendrechten (het recht op een tiende deel van de oogst van bepaalde gebieden) of pachtrechten. Ook betrof het vaak koeien, paarden en varkens en gereedschappen voor de uitoefening van het landbouwbedrijf. En ten slotte waren er ook nogal eens meubelen en allerhande huisraad te koop.
Zulke openbare verkopingen geschiedden “ten overstaan van Schout ende geregte”, onder het toeziend oog van de overheid dus. Van zo’n veiling werd dan ook een verslag gemaakt, dat werd ondertekend door de schout en twee schepenen.
In het gemeentearchief van Wassenaar zijn deze verslagen nog aanwezig voor de periode 1660 – 1805. De bemoeienis van de overheid hield wel in dat er “Generale conditiën en voorwaarden” waren volgens welke te werk gegaan moest worden bij zo’n veiling. Een flink deel daarvan gaat over de betalingen van een aantal belastingen. Hierbij is sprake van het “Rantsoen”, de belasting van een stuiver van elke gulden en nog een aantal stuivers voor de armen. Ook moeten de kopers boven elke gulden die ze betalen ook nog een “braspenning” in contant geld aanleveren om daaruit te betalen aan de schout een “oortje” (1/4 stuiver) en aan de secretaris een “duijt” (1/8 stuiver) en ten slotte nog een oortje voor ’t gelag. In een groot aantal gevallen moet bij de aankoop van een koe of paard ook nog geleverd worden een pint wijn. Er staat niet bij voor wie dat dan was, maar wellicht niet ook nog voor de armen.
Ook is geregeld wat er moet gebeuren als bij het afmijnen niet goed duidelijk is wie van twee potentiële kopers het eerst ‘mijn’ riep oftewel “wie van henluijden ’t voorwoort hadde”. De verkopers mogen dan een keuze maken of de procedure herhalen. En wanneer kopers op het gangbare en vastgelegde tijdstip niet hebben betaald, zullen de verkopers vrij zijn om de goederen waar het om ging opnieuw te veilen. Wel was het zo, dat wanneer kopers niet contant betaalden, de aanwijzing van twee “suffisante borgen” verlangd kon worden door de verkopers.
Wat vooral aardig is, is dat de omschrijving van de te verkopen goederen bijdraagt aan een beeld van de tijd. Bij veilingen op boerderijen vinden we naast de veestapel ook veel gereedschappen voor het maken van boter en kaas zoals ‘mouwen’ (zeer ondiepe houten bakken voor het afromen van de melk), een roomstar (vat voor het tijdelijk opslaan van room), wringtobben, kaasvaten e.d. Bij de wagens en karren is er meestal ook een slee. Daar was toen ook meer behoefte aan dan tegenwoordig. En bij het meubilair waren er naast zaken als spinnewiel, kakstoel, wastobbe, vleeskuip en schoorsteenkleed vrij veel voetenbanken. Bij koude vloeren zal de beschikbaarheid daarvan wel prettig geweest zijn.
Albert Niphuis