Leydsche Roeper met uw becken,
Wilt haest door de stad eens trecken
Joost van den Vondel
Wanneer men vroeger iets bekend wilde maken in een stad of dorp, kon men een omroeper – ook wel klinker genoemd - inhuren. Gewapend met een koperen schaal en een stok ging hij de straten langs om de betreffende mededelingen duidelijk te laten horen. Een flinke stem was uiteraard noodzakelijk. In het boekje:Wassenaar in oude ansichten van L.G.Oosterling (1969) staat op bladzijde 75 de heer Van der Ham afgebeeld, die lang geleden deze functie vervulde.
Later ging men via advertenties kenbaar maken, wat er zoal te beleven valt. Toch kende ons dorp eind jaren vijftig van de vorige eeuw nog een omroeper.
In het Vaderland van 3 januari 1942 staat het artikel:
De Wassenaarsche omroeper nog steeds in functie .
“Of er tegenwoordig voor een omroeper nog werk aan de winkel is? Wis en waarachtig wel en dat is maar goed ook, want een beetje bijverdienste kan ik best gebruiken.” Het was de Wassenaarsche omroeper L. Paardekooper, die deze verzuchting slaakte, toen wij hem vroegen, hoe het tegenwoordig met het “uitklinken” gaat. Hij stond op kousenvoeten in de deur van zijn huisje aan de haven, een weidsche naam voor het rechthoekige watertje, dat niet ver van het oude kerkje terzijde van de Langstraat ligt. Hij vertelde van zijn werk, dat hij nu al zeventien jaar verricht en waar meer dan een halve eeuw geleden, ook zijn vader reeds van tijd tot tijd iets extra’s mee verdiende. “Vroeger had ik ’t er wel veel drukker mee dan de laatste jaren”, ging hij verder. “Als de menschen tien jaar geleden op het dorp wat verloren waren, dan gingen ze naar den omroeper en als die dan met zijn gong door de straten trok en hij riep, dat mijnheer zus of zoo een portemonnaie had verloren, dan kwam de vinder al gauw opdagen. Maar tegenwoordig zetten ze liever een advertentie in de krant.” Voor den omroeper is dat natuurlijk een minder prettige omstandigheid, maar ook de verliezers hebben er niet altijd voordeel van. Om een advertentie te zien moet men natuurlijk speciaal de krant zitten lezen en den omroeper hoort men, of men wil of niet. “En dan kunnen de menschen achteraf wel denken: verdraaid, is ’t anders niet”, zei Paardekooper glunder lachend, “maar wat ik te zeggen heb, hebben ze dan toch al gehoord.” Den allerlaatsten tijd zijn het voornamelijk min of meer officieele mededeelingen , die de omroeper ter kennis van de Wassenaarsche ingezetenen brengt. Wanneer er bijvoorbeeld aan het slachthuis een openbare verkooping is van vleesch. Soms gaan er weken voorbij, dat de stem van den omroeper zich in de Wassenaarsche straatjes en lanen niet laat horen, maar van tijd tot tijd gebeurt het toch, dat iemand zijn weg naar het huisje aan de haven vindt en niet lang duurt het dan of de huisvrouwen, druk bezig met haar werk, zeggen: “hoor, de omroeper, even luisteren wat hij heeft…”
Carl Doeke Eisma