In de vorige bijdrage van deze rubriek (Nr 631 Het heerlijke van vogels) vertelt Robert van Lit het een en ander over het vangen van vogeltjes in ons dorp zoals dat vroeger gedaan werd. Niet om ze in een kooitje te zetten of te ringen, maar om ze op te eten.
En dan te bedenken dat een vinkje zo’n 30 gram weegt. Het gaat dan vooral om botten en veren en slechts enkele grammen vlees. Kennelijk was dat toch voldoende om een poging te wagen om ze te vangen. Nieuwsgierig als ik ben, wilde ik hier meer over weten.
Het vangen en eten van kleine vogels was in de middeleeuwen de gewoonste zaak van de wereld. Omdat de jacht op groot wild zoals herten en zwijnen voorbehouden was aan de adel, waren kleine vogels een bron van dierlijke eiwitten voor de lagere klasse. Vrijwel elke vogel die gevangen kon worden, eindigde op die manier in de pan. Het gaat dan onder andere om vinken, spreeuwen, lijsters, patrijzen, kwartels, houtsnippen en duiven.
Deze vogels werden op verschillende manieren bereid en gegeten. Ze konden in z’n geheel gebraden, geroosterd of gefrituurd worden maar ze werden ook wel in pasteien verwerkt. Ze werden meestal met de hand gegeten omdat ze zo klein waren en soms werd de hele vogel inclusief de kop en botjes opgegeten. Men sprak wel van pronkgerechten omdat de vogels te pronk stonden op de eettafel.
Het vangen en doden van deze vogeltjes werd in ons land vanaf 1 juli 1913 verboden. Het ging dan vooral om vogels die als nuttig voor de landbouw werden gezien, zoals de koolmees, de spreeuw, de roodborst en roofvogels. Vanaf 1936 gold dit voor alle vogels. Sinds 2024 geldt de Omgevingswet waarin diverse oude wetten zijn samengevoegd.
Het was ook de gewoonte om zangvogels blind te maken omdat men dacht dat ze dan beter konden ‘zingen’. Daar komt de naam blinde vink vandaan. En al is dat geen vogeltje, het lijkt er wel een beetje op. Rond 1952 is hier de slavink aan toegevoegd. Die zou in combinatie met sla prima smaken. En dan te bedenken dat dit alles ook in Wassenaar heeft plaatsgevonden.
Carl Doeke Eisma

Schilderij van Jan Brueghel de Oude, rond 1620 geschilderd.