In Het Vaderland van 16 maart 1937 trof ik een artikel aan over ons dorp. Ik neem een deel ervan over: “Wassenaar is een gewone plattelandsche gemeente geweest zonder veel geschiedenis. De heele geschiedenis van het dorp bestaat eigenlijk uit het verhaal van de manier waarop de mensch den grond bebouwd heeft, zich dien grond heeft toegeëigend.
Deze gemeente, die zich uitstrekte van af den Raamweg tot bij Voorschoten, levert daarbij de eigenaardigheid op, dat de burgerij van Den Haag en van Leiden er zijn geld belegd, belegging in hofsteden was in dien tijd zeer populair, en er na eenigen tijd ook zijn buitengenoegens zocht. Het Wassenaar, zooals het tot in 1907 was, bestond eigenlijk uit twee heerlijkheden: Zuydwyck, het Westelijke deel, dat slechts een ambachtelijke heerlijkheid was, en het eigenlijke Wassenaar, een hooge heerlijkheid. In 1518 werden die twee vereenigd. Er bevonden zich rond dien tijd drie kasteelen op het gebied: de Raaphorst, de Zandhorst en Zuydwyck. Daarnaast zijn er een paar gewone woonplaatsen zooals Persyn en Te Weer, ten slotte nog ongeveer 150 hofsteden. In de zeventiende eeuw heeft zulk een eerder genoemde heerlijkheid trouwens niet zoo heel veel te betekenen. Er ontstaat als het ware een fantasie-heerlijkheid. De griffier van Frederik Hendrik, Cornelis Musch, krijgt er een. Het is de heerlijkheid Waalsdorp. Er zitten maar een paar boerderijtjes op zijn goed. Hij heeft een eigen schutterij en het recht groote misdaden met de galg, met de eigen galg, te straffen. Zoo krijgt men ook een heer van Marlot en een heer van Arendsdorp. Die heerlijke rechten bestaan uit niet veel meer dan het recht van konijnen schieten en zwanen te mogen houden.”
Wat is het verschil tussen een ambachtsheerlijkheid en een hoge heerlijkheid?
Een ambachtsheerlijkheid was de kleinste bestuurseenheid op het platteland. De ambachtsheer of ambachtsvrouwe kreeg de heerlijkheid in leen van de leenheer. Hoewel de heer of vrouwe recht mocht spreken en wetten kon voorschrijven, vielen de halszaken hier buiten, hetgeen wil zeggen dat de doodstraf niet uitgesproken mocht worden. Wel mochten ze allerlei heffingen opleggen.
Een hoge heerlijkheid was een zelfstandig gebied met eigen wetten en rechtspraak. De landsheer had wel het recht om misdadigers tot de galg te veroordelen en te laten executeren. Ook bestonden hier het recht van jacht en visserij en het molenrecht. Een belangrijke bron van inkomsten was het tiendrecht, dat wil zeggen dat het tiende deel van de oogst en het jonggeboren vee aan de heer afgedragen moesten worden. Het molenrecht betekent dat alleen de heer het recht had om een molen te laten bouwen om deze vervolgens aan de molenaar te verhuren.
Robert van Lit maakte me erop opmerkzaam dat Persijn en het Huis ter Weer wel degelijk kastelen waren en daar kan Bellestyn nog aan worden toegevoegd.
Carl Doeke Eisma

Een deel van een kaart uit 1777.