De predikant en jeugdboekenschrijver Eduard Gerdes (1821 – 1898) heeft een boek geschreven waarin een schelpenvisser voorkomt.
De schelpenvisser of schulpenvisser verzamelde de schelpen die langs de vloedlijn achterbleven en bracht ze vervolgens naar de kalkovens waar er kalk voor de bouw van huizen van gebrand werd. Vanaf de Middeleeuwen tot zo halverwege de vorige eeuw werd dit beroep uitgeoefend, ook in ons dorp. Denk maar aan straatnamen als de Schulpstraat en het Schulpplein. Op de Schulpweide werden de schelpen opgeslagen nadat ze met sleepnetten verzameld werden en hier met een paard en een tweewielige kar naar toegebracht waren. Vervolgens gingen ze meestal per schip naar de kalkovens. In het boekje Wassenaar in oude ansichten staat op bladzijde 106 een foto waarop een van de Wassenaarse schelpenvissers, de heer Kortekaas staat, samen met zijn paard en de kar.
De zoon van den Schulpenvisser
Het boek met de bovenstaande titel is in 1855 verschenen en in de voorrede schrijft de auteur onder meer: “Het was reeds sedert langen tijd mijn plan, voor jonge lieden een verhaal te schrijven. Ik heb getracht den zoon des Schulprijders zoo te schetsen, gelijk ik hem kende. Tevens wensch ik van harte dat dit verhaal eene bijdrage moge opleveren ter verbetering van den, helaas! zoo bedorven smaak onder de jongelieden.” Ik neem een deel van het eerste hoofdstuk over
In de Wassenaarsche duinen
“Wanneer men den straatweg van Leiden naar ’s Gravenhage volgt, komt men op ongeveer twee uren afstands, even voorbij het zeer bekende huis ‘den Deil’ aan eene laan, die naar het allerliefste dorpje Wassenaar geleidt. Gaat men dit dorp door, dan vindt men aan het einde der hoofdstraat drie wegen, waarvan er twee zich langs verschillende kronkelingen in de duinen verliezen, terwijl de derde een mullen zandweg vormt en dwars door duinen en hoogten tot aan het strand der Noordzee voortloopt. Het is een zeer vermoeyende weg voor den wandelaar, daar dezelve, wanneer de hemel onbewolkt is, nergens lommer aanbiedt om er eenige rust of verkwikking te genieten. Zandheuvels, en eenige met helm begroeide duinen, welke wonderlijke vormen aannemen, zijn de eenige rustpunten voor het oog. Hier en daar ziet men , hetzy aan den weg of aan de helling van een duin, een armoedige woning. Deze weg, wordt echter zelden anders betreden dan door karrelieden, de met een wagen en paard naar zee stappen om schelpen op te zamelen, welke gebruikt worden in de kalkovens of om er de paden mede te bestrooijen. Deze karrelieden verdienen een sober stuk brood. Wat de personen zelven betreft, die bijna zonder opvoeding en beschaving blijven, het zijn meerendeels ruwe en zorgelooze menschen. Dagelijks aan den invloed van het ongestadige weder bloot gesteld, is hun lichaam gehard door alle vermoeijenissen en hoewel ze soms tot aan hun midden in de golven der zee moeten staan, schaadt dit niets aan hunne gezondheid, omdat zij het gewoon zijn.”
Ik vraag me af hoe het in onze tijd met de smaak van jongelieden staat. Zou die ook bedorven zijn?
Carl Doeke Eisma

Illustratie uit het boek De zoon van den Schulpenvisser
De Historische Vereniging Oud Wassenaer heeft getracht de rechthebbenden van afbeeldingen te achterhalen. Degene die de auteursrechten hierop heeft, wordt daarom uitgenodigd met de secretaris contact op te nemen. Voor de duidelijkheid in relatie tot de tekst zijn enkele foto’s bewerkt.