Het einde van de patriottentijd in 1787 ging gepaard met plunderingen, vooral in de steden (zie ook nr. 36). Maar ook in Wassenaar werd in ieder geval één inwoner door dat lot getroffen. Hannes van der Klugt, houtkoper en tapper bij het Waalsdorper Laantje, had deelgenomen aan het oproer van 25 januari 1785, maar behoorde ook tot de groep die zich uit vrees voor repercussies, op 12 maart daaraanvolgend, vrijwillig bij de baljuw aanmeldde om te exerceren met wapens (zie nrs. 30 t/m 33). Vermoedelijk was hij noch een uitgesproken orangist, noch een uitgesproken patriot.
Na de orangistische omwenteling van september 1787 komt, op 10 oktober, ook bij Hannes van der Klugt een gezelschap langs van zo'n acht à tien man. Zelf is hij niet thuis, maar zijn dienstmeid en zijn broer Pieter krijgen opgedragen om boterhammen en wijn te brengen. Aanvankelijk lijkt de stemming nog niet al te kwaadaardig: een van hen speelt op de dwarsfluit terwijl de anderen dansen. Maar na ongeveer een uur verandert dat drastisch. Ze beginnen met stokken de ramen in te slaan en vervolgens wordt alles in huis kort en klein geslagen, kleren en bedden worden aan stukken gesneden, de veren op de weg en in het water gegooid, zo'n 1400 pannen worden van het dak gegooid, een tinnen kan wordt het raam uit gegooid en raakt op een haar na de dienstmeid die buiten staat, een trekzaag en mestvorken worden in het water gegooid, en met bijlen wordt op de deuren, vensters en kozijnen ingehakt. Na afloop van het spektakel missen de meid en broer Pieter o.a. de zilveren haken en gespen van hun kleren en schoenen, geld, en een boek met zilveren sloten. Van hun beste kleren is niet veel meer over.
Een van de plunderaars zegt tegen Pieter dat hij hem zou doodschieten als hij wist dat hij een patriot was. Pieter probeert hem te kalmeren: "Ik heb immers wijn met u gedronken en Oranje Boven geroepen". Een ander zegt tegen hem "dat hij [de plunderaar] al zoveel huysen had helpen plunderen, en dat hij zou blijven plunderen zoo lang als hem de kop op de romp stond, dat al de patriotse huysen er aan moesten zoo lang als ze er maar een vonden". Een derde had tenslotte gezegd "dat als zij Hannes van der Klugt hier hadden, zij hem zouden doodsteeken, en dat als zij hem op weg ontmoeten, hij er nog aan zoude moeten". Een niet ongebruikelijke bedreiging in die tijd, die overigens meestal niet werkelijk tot uitvoering werd gebracht.
Marry Niphuis-Nell