De door Napoleon in 1811 ingevoerde Code Civil en de invoering van het daarop gebaseerde eerste Burgerlijk Wetboek in 1838 leidde tot een verslechtering van de positie van de ongehuwde moeder. Sindsdien was het namelijk verboden om te onderzoeken wie de vader was van een 'onecht' kind. Dit verbod kon ingrijpende gevolgen hebben voor moeder en kind, omdat een onwillige vader daardoor niet meer gedwongen kon worden om voor het door hem verwekte kind onderhoudskosten te betalen.
In het vóór 1811 geldende oud-Hollandse recht stond de ongehuwde moeder er wat dit betreft veel beter voor. Als de verwekker niet met haar wilde trouwen, kon de moeder een zgn. onderzoek naar het vaderschap laten instellen. De rechter was bevoegd om op grond van bewijsstukken en verklaringen onder ede de eiseres een schadevergoeding toe te kennen voor haar 'verloren eer' en een financiële regeling te treffen voor de kosten van de kraam en de verdere verzorging van het kind. Eén van de wettige bewijsmiddelen was de verklaring van de vroedvrouw omtrent de naam van de verwekker. Dat er een dergelijke verklaring beschikbaar zou zijn, werd op voorhand geregeld in de eed die de vroedvrouw bij haar aanstelling moest afleggen.
In de 18e eeuw werd de vroedvrouw van de ambachten van Wassenaar en Zuidwijk aangesteld door de ambachtsheer; de eed werd afgelegd in handen van de baljuw en met enkele welgeboren mannen als getuigen. In 1720 luidde de eed als volgt:
"Ick beloove ende sweere alle bevrugte vrouwspersoonen, die mijn dienst sullen versoecken, te adsisteren en bij te staen, en soo veel in mijn vermogen is te helpen tot haere verlossinge toe; verders dat ick in 't ontfangen van kinderen van ongetrouwde persoonen sal afvraginge doen wie vader van de kinderen is, en 't selve binnen twee mael 24 uuren den Bailliuw sal bekent maken, en dat ick mij voorts in alles sal gedragen gelijk een eerlijck vroetvrouw betaemt; dat ick ook sal onderhouden de keuren bij Bailliuw en welgeboren mannen op de vroetvrouwen alreede gemaekt ofte die na deesen genaemt of gemaekt soude mogen werden.
Soo waerlijk helpe mij Godt Almagtig."
Dat het "afvraginge doen wie de vader van de kinderen is" geen dode letter was, wordt aangetoond door de schriftelijke verklaringen van de vroedvrouw, die ook nu nog altijd in het gemeentearchief van Wassenaar aanwezig zijn. In deze verklaringen wordt de naam van de vader genoemd en soms ook zijn beroep: timmermansknecht, smitsknecht, tuinman; er blijkt uit dat inkwartieringen van militairen niet altijd zonder gevolgen bleven: een tamboer, een huzaar. Een enkele man ontkent ten stelligste dat hij de - vermeende - vader zou zijn. Maar ook het omgekeerde komt voor, waarbij de genoemde man "volmondig bekent heeft vaader te sijn en anders niemant".
Marry Niphuis-Nell