Voor de burgemeester moet het een hoogtepunt in zijn carrière zijn geweest: de huwelijksvoltrekking van Marie, dochter van prins Frederik, en Willem vorst van Wied. Dit heugelijke feit vond plaats op huize De Paauw, het buitenverblijf van prins Frederik, in de zomer van 1871. De kerkelijke inzegening was vervolgens in de Dorpskerk aan het Plein. Volgens de aanwezigen veroorzaakte de burgemeester van Wassenaar ongewild een klein schandaal, waar aan het Hof nog lang over werd nagepraat. Het geschiedde na het diner dat volgde op de huwelijksvoltrekking. Al koffiedrinkend wandelden de gasten door de zalen van De Paauw. Burgemeester H.C. van Calcar ontmoette er koning Willem III, die bij de huwelijksvoltrekking was opgetreden als een der getuigen. Volgens diens secretaris jhr. De Ranitz, die het voorval optekende, moet Van Calcar de Koning nogal amicaal hebben aangesproken en zou hij zoiets gezegd hebben als: “Je moet me nou toch es voorstellen aan de kroonprins”. Naar verluidt deed de Koning wat hem gevraagd werd, en keerde vervolgens de burgemeester woedend de rug toe. Volgens De Ranitz verspeelde Van Calcar door zijn onbeschofte gedrag de kans op het lintje, dat voor hem in het verschiet had gelegen.
Grappig is wel dat ook Van Calcar deze ontmoeting heeft opgetekend, namelijk in diens ‘Nagelaten Aanteekeningen’. Hij gaf een heel andere versie van de gebeurtenis: ‘Op een gegeven oogenblik stond ik in een der vertrekken, die alle in elkander loopen, te keuvelen met den Hofmaarschalk van Prins Frederik: Graaf van Limburg Stirum, en den Opperstalmeester: Van der Oudermeulen, geheel in rood kostuum, toen een der zijdeuren werd geopend en Z.M. Koning Willem III de kamer binnentrad. Regelrecht op mij toetredende, retireerden de beide heeren – en ik stond daar geheel alleen tegenover den Koning. Z.M. gaf mij de hand; eene diepe buiging mijnerzijds, en na eenige minder aangename woorden over Ds. Van Rhijn, die ik maar niet zal neerschrijven – ZW. Eerw. Had lang den hem gegunden tijd overschreden met zijn toespraak – sprak Z.M.: “Dank de ingezetenen van Wassenaar voor de hulde heden aan het Huis van Oranje bewezen; kondig het openlijk af, want wij stellen het op hoogen prijs”. Wellicht was de Koning tien minuten met mij in gesprek, toen de deur weder openging en de prins van Oranje binnentrad. Ik deelde Z.M. mede, dat ik nimmer het voorrecht had genoten aan Z.K.H. te zijn voorgesteld, maar dat Z.K.H. toch vaak mijn werkkamer was voorbijgegaan om in de Wassenaarsche duinen te gaan jagen. De Koning wendde zich daarop naar zijn zoon, vatte den jasomslag en stelde Z.K.H. aan mij voor als “zijn geliefden oudsten zoon den prins van Oranje”, gaf mij weder de hand en ging heen, mij alleen met den Prins latende’.
Van Calcar is zich duidelijk niet bewust geweest van de commotie die hij onder de hovelingen veroorzaakte. Hoe de toedracht precies is geweest, zullen we nooit weten. Feit is wel dat noch dominee Van Rhijn, noch burgemeester Van Calcar het begeerde lintje kregen.
Robert van Lit