Als er één vraag is, die vaak door bezoekers van onze korenmolen gesteld wordt, dan is het wel bovenstaande vraag. Nu is het antwoord niet eens zo eenvoudig, omdat de molen eigenlijk uit twee gedeelten bestaat, de molen zelf en de onderbouw.
Laat ik met die onderbouw beginnen.
In 1668 kreeg de toenmalige molenaar – Jan Gerbrants. Van Wouw – van de baanderheer van Wassenaar en Zuidwijk toestemming om een nieuwe molen te bouwen. In de door Van Wassenaer afgegeven vergunning staat onder andere, dat de baanderheer ‘bij desen accordeert ende toelaet te moogen stellen in plaets van den tegenwoordigen Wynt Cooren Moolen aldaer Eenen niwen Wynt Corn Moolen op syne Moolenaers Eeygen kosten’. Bovendien krijgt hij dan – tegen betaling – ‘het recht van Malerie ende van den wynt als ook voor het bewoonen van het Moolenhuis ende voor ’t gebruik van de Crooft’. ( Dit laatste is een stuk land.) Hij moest hiervoor betalen: ‘de somme van 60 carolusguldens mitsgader twe paer cappune ( een kapoen is een gecastreerde haan ) en 56 stuivers.’
Deze onderbouw is achtkantig van vorm en dat betekent, dat er oorspronkelijk een houten achtkante molen op heeft gestaan. Enkele achtkantstijlen hiervan zijn later gebruikt ter ondersteuning van de vloerdelen.
Wanneer deze houten molen vervangen is door de ronde stenen molen, die er momenteel op staat, is niet precies aan te geven. Toch tasten we niet helemaal in het duister. In een akte uit 1705 staat vermeld, dat het gaat om een ‘Steene Coorn Wint Moolen’ Ik kan me niet voorstellen dat hier alleen de onderbouw bedoeld wordt. Maar zoals u weet moeten we voorzichtig zijn met dit soort gegevens. Gelukkig heb ik een tekening van Jacob Elias la Fargue uit 1760 gevonden en daarop staat de ronde stenen molen in alle glorie afgebeeld. Waarom die houten molen door een molen van steen is vervangen weet ik niet, maar het ligt voor de hand, dat de houten molen is afgebrand.
Overigens komt de combinatie van een achtkant met daarop een ronde molen zeer sporadisch voor in ons land. Ik ken er dan ook maar enkele voorbeelden van.
En weet u, wie het hier vooral moeilijk mee hebben? Mensen die een poging wagen om de molen te tekenen of te schilderen. De overgang van dat achtkant naar de ronde vorm wordt zelden of nooit op de juiste manier weergegeven. Meestal trekt men de gebogen lijn tot beneden toe door, zonder oog te hebben voor de steunberen van de onderbouw. ( Een uitzondering hierop vormen in ieder geval Cornelis Jetses en H. E. Roodenburg.)
Carl Doeke Eisma

Molen Windlust. Tekening door Cornelis Jetses.