(Een vakantiehuis voor kunstenaars en literatoren van 1940 – 1992.)
In 1974 verscheen het door Ab Visser geschreven boekje: ‘Het Klooster van Sint Jurriaan - Pauwhof herinneringen -’. De in 1913 in Groningen geboren schrijver en dichter geeft op vaak geestige wijze zijn indrukken van de Pauwhof weer. De titel heeft betrekking op een spotvers, waarin de fraaie regel staat: ‘Dit is het klooster van Sint Jurriaan, waar twee paar schoentjes onder één beddeke staan’. Van 1948 tot 1953 heeft hij er samen met zijn vrouw vele dagen doorgebracht. ‘Iedere gast draagt ongetwijfeld zijn eigen Pauwhofbeeld in zijn herinnering mee. Het mijne is gehuld in een nostalgisch waas, gekleurd door herinneringen aan vele goede vriendschappen’, zo schrijft hij aan het slot van dit boekje.
‘Zijn herinneringen aan die tijd vormen een kostelijke verzameling roddels, anekdoten en impressies’, zo lees ik op de omslag. Een belangrijke plaats in zijn verhalen wordt ingenomen door Café Bakker: ‘ Talloze malen heb ik in die tijd de Raadhuislaan afgelopen, alleen of in gezelschap, op weg naar Den Deyl, waar zich een postkantoor bevond, een paar winkels en enkele café’s. Mijn favoriete café was het eenvoudige landelijke buurtcafé van de familie Bakker. Het was een trefpunt voor ‘mensen langs de weg’: handelsreizigers, vrachtwagenchauffeurs e.d. en voor paardenliefhebbers (in verband met Duindigt) en stropers uit de omgeving. De kastelein was een vriendelijke man, maar de zaak werd in hoofdzaak door zijn schrandere vrouw (door habitué’s tante Koos genoemd) gedreven. Ze hield er ongeschoolde literaire ambities op na, misschien omdat ze familie was van Konijnenburg, de eigenaar van café ‘De Posthoorn’ in Den Haag. Ik maakte mij bekend en meteen was er ‘een band voor het leven’. Ik kon vanaf dat ogenblik geen kwaad bij haar doen. Ik was van klant tot kind-aan-huis gepromoveerd.’
In 1955 heeft Ab Visser een drinklied over ons dorp geschreven, waarvan hier de eerste strofe:
Herinner je het deftig dorp:
de winterlucht een zieke,
witbeslagen tong, de herfst
vol stormend rood, gesmeerd
boven melancholieke
en ontuchtig naakte bomen:
herinner je vooral de voorjaarshemel,
blank als de wellustig
strak gespannen rug van een
volmaakte minnares,
geboren uit de roes
van drank en dromen.
Ik heb een vaag vermoeden dat ons dorp zelden op deze manier beschreven wordt.
Carl Doeke Eisma