In de gemeenteraadsvergadering van 24 september 1924 kwam aan de orde dat de gemeente Wassenaar een terrein moest hebben voor woonwagenbewoners. Volgens de Woonwagenwet van 1918 was de gemeente daartoe verplicht. In de genoemde vergadering werd afgesproken om een geschikte locatie te zoeken en hierbij dacht de gemeente aan een stuk grond aan de Ruijgelaan.
Dit perceel werd door Johannes Adrianus van Noort gehuurd van het Burgerlijk Armenbestuur van de gemeente Wassenaar. Besloten werd dat de gemeente een stuk van 2000 m2 terughuurde van Johannes van Noort, voor de prijs van 10 cent per m2. Tevens moest er een afheining komen. De wet gaf aan dat het in den regel wenselijk zal zijn dat “de woonwagenkampen van den weg worden gescheiden door een zware en strenge afrastering of door aarden wallen, dan wel door een singel of breede beplante strook, welke het kamp aan het oog van den weggebruiker onttrekt". Dit zou ca. fl. 600 gaan kosten. En indien het wenselijk bleek het terrein te verharden, zou hiervoor alsnog een voorstel ingediend worden. De firma Jonker werd verzocht een bron van 30 meter diep te boren en daarop een handpomp te plaatsen, een zogenaamde koloniaalpomp, met tevens een houten bekisting om de pomp vorstvrij te houden. De kosten hiervoor bedroegen fl. 240.
De omgeving was minder blij met het woonwagenkamp, wat blijkt uit een klachtbrief van 30 juli 1928 aan de Gemeente Wassenaar, ondertekend door de omwonenden, de families Grevers, Duijvenbooden, Nell, Binnendijk, de wed A. Nell, Knijnenburg, Wensveen, Barend en Van der Salm. De klacht ging over het jagen van paarden en het maaien van gras in het hooiland, het melken van koeien bij nacht en ontij en het vernielen en weghalen van hekken. Hun voorstel was om het woonwagenkamp te verplaatsen naar elders in de gemeente waar meer politietoezicht mogelijk zou zijn. Ze werden daarbij gesteund door het bestuur van de gecombineerde Ruijgelaanse en Zonneveldse polder. De gemeente is hier niet op ingegaan, gezien het feit dat het woonwagenkamp zich tot op heden aan de Ruijgelaan bevindt.
In de jaren zeventig moest de gemeente Wassenaar een tweede woonwagenlocatie aanwijzen en toen was er opnieuw veel protest. De bewoners aan het Ammonslaantje wonnen de zaak van de gemeente en slaagden er in om te voorkomen, dat de locatie aldaar zou zijn. De bewoners van de Dirk de Raetlaan kregen dit kampje nu in hun achtertuin en ook hier waren de reacties fel, doch de gemeente zette door en Lagerweide was een feit. De rust rond deze kampen is tegenwoordig zodanig, dat veel Wassenaarders van deze twee kampen nauwelijks nog iets weten.
André de Kleine