Het eerste deel eindigde met Jeronimus de Wit. Hij was brouwer in de bierbrouwerij “De Rode Eenhoorn” aan het Hogewoerd te Leiden. Blijkbaar deed hij goede zaken, want in 1687 liet hij op zijn grond aan de Oostdorperweg, naast zijn boerderij een landhuis bouwen.
De aannemer van dit landhuis was de toen 35-jarige Wassenaarse timmerman Cornelis Cornelisz van Oostenrijck. Hij woonde aan de noordoost zijde van de Langstraat, ongeveer halverwege het gedeelte tussen de Kerkstraat en de Molenstraat.Toen de bouw nagenoeg voltooid was, kregen De Wit en Van Oostenrijck een verschil van mening over “eenig buijtewerck” dat blijkbaar nog moest worden uitgevoerd. Een proces wilden de heren echter voorkomen, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten en het grote tijdsbeslag. Ze besloten één en ander te schikken onder arbitrage van enkele Leidse timmerlieden.
Jeronimus noemde zijn nieuwe buitenhuis vervolgens “Withoff”. Drie maanden na het overlijden van Jeronimus, in september 1702, lieten zijn erfgenamen het landgoed veilen. De nieuwe eigenaar was de uit Leiden afkomstige jurist mr. Nicolaes Ghijs († 1722). Hij was toen advocaat bij het Hof van Holland. Later werd hij burgemeester en pensionaris van Den Briel en vervolgens raadsheer bij het Hof van Holland. Ghijs verdubbelde de omvang van het landgoed in 1705 met de aankoop van de aan de noordoost kant grenzende boerderij met land. Het complex werd toen 22 hectare groot. De meer zuidelijk gelegen boerderij liet hij afbreken en de juist gekochte boerderij werd nu “tuinmanshuis”.
Ghijs veranderde de naam van zijn landgoed in “Rozeveld” en hij verkocht de complete buitenplaats begin 1718 aan Willem Brooks. Deze Amsterdammer was op 22-jarige leeftijd in 1703 uitgevaren in dienst van de VOC. Hij klom op tot onderkoopman en keerde veertien jaar later terug. Intussen had hij een klein kapitaal vergaard, maar hij bleef zuinig. Dat valt althans af te leiden uit een geschil met de Wassenaarse meester-timmerman Pieter van Wieringe. Deze had werkzaamheden uitgevoerd aan Rozeveld, maar Brooks vond de rekening te hoog en weigerde te betalen. Van Wieringe sleepte hem vervolgens medio 1720 voor het Wassenaarse gerecht, gepresideerd door baljuw Van Gijbelant. Voordat de rechtbank tot een definitieve uitspraak kwam, deed een commissie van deskundigen uit Leiden en Den Haag ter plaatse een “occulaire inspectie”. Tenslotte kreeg de timmerman gelijk en ontving eind 1720 zijn geld. Brooks gebruikte zijn comfortabele “lustplaats” ook wel in de winter. Familieleden logeerden er soms langere tijd. Voor de zondagen beschikten ze over een dubbele bank in de Dorpskerk.
Albert Clobus

Het tuinmanshuis van het landgoed, later boerderij Rozeveld, in 1966, gezien vanaf de oprijlaan. Die was bijna 200 meter lang en begon aan de Oostdorperweg, tussen de huidige nummers 100 en 104. De inzet toont, in ongeveer dezelfde oriëntatie, de plattegrond van boerderij en hooiberg in 1822 (foto Gemeentearchief Wassenaar, bewerking auteur).