Op 3 februari 1598 strandde een vijftien meter lange potvis op de zandbanken van Berckhey, een vissersdorp tussen Katwijk en Scheveningen, zo lees ik in het in 1988 uitgegeven boek: Overvloed en onbehagen De Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw, geschreven door Simon Schama. Deze indrukwekkende gebeurtenis werd door Hendrick Goltzius getekend en een leerling van hem, Jacob Matham, heeft hier een gravure van gemaakt.

De desbetreffende gravure van Jacob Matham
Wanneer je goed kijkt zie je zelfs een dorpje op een duintop afgebeeld. Of dit de werkelijkheid weergeeft kan ik niet beoordelen. In het door Robert van Lit samengestelde boekje (1989) Geschiedenis enverklaring van de straatnamen in Wassenaar staat over de Berkheistraat: “Deze straat gaf eertijds aansluiting op het duinpad dat over de huidige Klip en via de Wassenaarse Slag naar het kustdorpje Berkhey voerde. De Berkheistraat werd in de 17de eeuw zowel aangeduid als de Berckheystraat (of Berckheysewech) als kortweg de Heystraat.” Al heb ik niet zo heel veel over dit dorpje kunnen vinden, het lijkt me wel voldoende om er een artikel aan te wijden.
In 1396 stichtte Gillys van Cralingen, heer van Voorschoten, Zuidwijk en Cralingen, het dorpje Berckhey. Hij had toestemming gekregen om honderd roeden duingebied geschikt te maken voor bewoning. Ook werd hem vergunning verleend: “daerof een heide te maken”. Het gaat hier om een haventje aan een geul in de buitenduinen, zoals uit een artikel, geschreven door Dr. F. Beekman in het blad Duin van december 2013, blijkt. De vissers die hier kwamen wonen moesten belasting betalen en waren tevens verplicht jaarlijks helm te planten om zo te voorkomen dat de zandverstuiving al te ernstige vormen aannam. Dit dorpje had aanvankelijk wel degelijk bestaansrecht met als afzetgebied voornamelijk Wassenaar en Voorschoten. Zo hadden er in de 15e eeuw 10 vissersboten hun thuishaven. Uitgaande van de huidige situatie lag het zo’n kilometer ten noorden van de Wassenaarse Slag. In de eerste helft van de 17e eeuw zijn de inwoners van Berckhey naar elders vertrokken. Waarschijnlijk was het afzetgebied van de gevangen vis niet groot genoeg, dit in tegenstelling tot dat van Scheveningen en Katwijk. Bovendien moest er steeds maar weer strijd gevoerd worden tegen hevige stormen en zandverstuivingen. Dit had te maken met het feit dat het planten van helm vaak te wensen overliet. Als voorbeeld van dit laatste wordt een corrupte houtvester, Philips van Wassenaer, genoemd. We komen de naam van dit vissersdorp nog tegen in het duingebied tussen Wassenaar en Katwijk, Groot Berkheide en in één van de boeken die Boudewijn Büch geschreven heeft: De Bocht Van Berkhey.
Carl Doeke Eisma