Met enig recht kan Marie Cornélie gravin van Wassenaer Obdam (geboren 1799) de laatste ambachtsvrouwe van Wassenaar worden genoemd (zie nr 103). Tevens was zij de laatste telg uit het geslacht Wassenaer Obdam. Hoewel haar vader drie maal was getrouwd had zij geen (half)broers of -zusters. Haar leven had een opmerkelijk verloop, niet omdat ze zo veel invloed had in bijvoorbeeld haar ambacht Wassenaar, maar eerder omdat die invloed zo gering was.
Die geringe invloed was een gevolg van de grote politieke veranderingen in haar tijd, maar vooral ook van haar familieomstandigheden en haar vrouw-zijn. Toen ze ambachtsvrouwe van Wassenaar werd, na het overlijden van haar vader in 1812, was ze nog minderjarig. Haar goederen werden vanaf dat moment beheerd door een commissie van vijf voogden, onder wie haar stiefmoeder Sophia Wilhelmina gravin van Wassenaer, geboren baronesse van Heeckeren van Kell en Sophia's broer Willem A.H.C. baron van Heeckeren van Kell, een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Door hun toedoen werd Marie Cornélie op 16-jarige leeftijd meerderjarig verklaard, waardoor de zeggenschap van de drie nog in leven zijnde voogden werd uitgeschakeld. Als ongehuwde vrouw was Marie Cornélie nu in feite handelingsbekwaam en had ze zelf het beheer over haar goederen en rechten kunnen voeren als ze dat had gewild. Dit beheer, waaronder ook de heerlijke rechten van Wassenaar vielen alsmede het patronaatsrecht van de kerk te Wassenaar, bleef echter behartigd worden door haar stiefoom Willem. Haar stiefmoeder en stiefoom hebben haar zelfstandigheid niet gestimuleerd of beoogd; eerder lijkt het tegendeel het geval te zijn geweest.
Als rijkste erfdochter van Nederland moet Marie Cornélie - ondanks een klein bocheltje - een aantrekkelijke huwelijkskandidate zijn geweest. Ze trouwde in 1831 met de tien jaar jongere Jacob Derk Carel baron van Heeckeren van Kell, de zoon van haar stiefoom Willem die zodoende tevens haar schoonvader werd. Het huwelijk werd gesloten in gemeenschap van goederen, wat voor de adellijke kringen in die tijd ongebruikelijk was. Als gehuwde vrouw was ze nu, volgens het toen geldende recht, handelingsonbekwaam en naast haar echtgenoot bleef ook haar stiefoom alias schoonvader tot aan zijn dood in 1847, haar zaken voor haar behartigen.
Van de hierboven genoemde personen zijn er drie begraven op de begraafplaats van de Dorpskerk, te weten Sophia (overleden 1847), Marie Cornélie (overleden 1850) en Jacob Derk Carel, die zich dan inmiddels Van Heeckeren van Wassenaer noemt (overleden 1875). De grafkelders zijn ook nu nog altijd te vinden op het oudste gedeelte van de begraafplaats bij de Dorpskerk. Over deze grafkelders en het grafmonument leest u een volgende keer meer.
Marry Niphuis-Nell

Marie Cornelie gravin van Wassenaer Obdam. Kasteel Twickel, Delden.