De vraag wie beschouwd kan worden als de laatste ambachtsheer van Wassenaar laat zich niet eenduidig beantwoorden. De uitoefening van heerlijke rechten (rechten op bestuur en rechtspraak) en van het patronaatsrecht over de kerk was tot aan het eind van de 18e eeuw min of meer een vanzelfsprekendheid. In Wassenaar fungeerde in die periode Carel George graaf van Wassenaer Obdam als ambachtsheer en tevens als patroon van de kerk. Voor hem moeten de gevolgen van de Bataafse revolutie nogal onthutsend zijn geweest. De staatsregeling van 1798 maakte zelfs eenvoudigweg een einde aan het bestaan van heerlijkheden. Maar in ieder geval heeft Carel George dan toch tot 1795 in het volle genot verkeerd van de heerlijke rechten van Wassenaar.
Hij overleed in 1800 en werd als ambachtsheer opgevolgd door zijn zoon, voorzover er althans van opvolging gesproken kan worden in een situatie waarin de betreffende rechten formeel niet meer bestaan. Jacob Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam zou ook het gedeeltelijk herstel van de heerlijke rechten niet meer meemaken, omdat hij al in 1812 overleed. In 1814 herstelde koning Willem I het recht van heren ten plattelande om lagere functionarissen (bijv. onderwijzer, koster) te benoemen. Het recht echter om hogere ambtenaren (bijv. schout, secretaris) te benoemen hield hij in eigen hand; wel kregen de bezitters van heerlijkheden het recht van voordracht. De benoeming van een baljuw was niet langer ter zake, omdat sinds 1811 de rechtspraak niet meer op lokaal niveau plaatsvond.
In 1812 volgde Marie Cornélie van Wassenaer Obdam haar vader op in de functie van ambachtsheer/-vrouwe. Dat was althans in naam het geval, maar haar zaken werden behartigd door - vooral - haar stiefoom Willem A.H.C. van Heeckeren van Kell en na haar huwelijk mede door haar echtgenoot. Bij de grondswetwijziging van 1848 zouden tenslotte ook de heerlijke rechten inzake voordracht of aanstelling van ambtenaren definitief verdwijnen. Dat gebeurde nog tijdens Marie Cornélie's leven, zij overleed in 1850.
In feodale tijden zouden de heerlijke rechten van Wassenaar nu zijn overgegaan op haar echtgenoot, Jacob Derk Carel van Heeckeren van Wassenaer, maar deze rechten waren inmiddels non-existent geworden. Wel erfde hij nog het patronaatsrecht, dat eveneens rond 1800 tijdelijk vervallen was geweest. Dit recht zou in Wassenaar nog worden uitgeoefend tot 1937, toen de weduwe van Rodolphe Frédéric van Heeckeren van Wassenaer er afstand van deed.
De conclusie kan zijn dat naast Carel George van Wassenaer Obdam, ook zijn kleindochter Marie Cornélie aanspraak kan maken op de titel van laatste ambachtsheer/-vrouwe van Wassenaar. Haar band met Wassenaar was in ieder geval nog wel zo sterk dat zij bij de Wassenaarse Dorpskerk werd begraven.
Marry Niphuis-Nell