Ook in de 18e eeuw waakte het bestuur dag en nacht over ons. Toch kon er ook toen blijkens een "Waerschouwinge" van schout en ambachtsbewaarders in het najaar van 1710 sprake zijn van plichtsverzuim.
"Alsoo Schout en Ambagtsbewaarders der Baronnije van Wassenaer en Zuidwijk, dagelijks veele en groote klagte sijn voorgekomen, dat in de voorlede winter, bij diegeene die de nagtwagt was aanbevoolen, om alle onheijlen soo veel [als] mogelijk was voor te komen, haar niet hebben ontsien, ontrent de middernagt na huijs te gaan slaapen, off wel in eenige herbergen ofte kroegjes te gaan sitten drinken, en aldaar met de kaart te speelen, in plaats van de wagt waar te nemen, alsmede op straat gaande toebak rokende, daar uijt veele onheijlen en disorders ontstaan, ..." En die onheilen moesten ze nu juist helpen voorkomen. Daarbij ware in gedachten te houden, dat de beduchtheid voor brand (ten dele houten huizen, schuren, veel rieten daken) groot was. Om die reden is het dat schout en ambachtsbewaarders de nachtwakers "scherpelijk willen waarschouwen" en het bovenbeschreven gedrag ten strengste verbieden. Maar het ingrijpen geldt niet alleen de nachtwakers: "en sullen de herbergiers alsmede [zij] die kroegjes sijn houdende, geen van de wakers des nagts in huijs mogen nemen, 't sij op wat voor voorwendsel het soude mogen wesen, op de boete van drie gulden voor den Armen te verbeuren, soo wel bij de wakers als bij de herbergiers, ofte [zij] die kroegjes sijn houdende alwaar een van de wakers bevonden sal werden". En uitdrukkelijk wordt nog eens aangeven dat "geen van de wakers op straat gaande in 't omgaan toebak moogen rooken op de boete van vijff gulden, volgens de ordonnantie daar van sijnde". Ook "sullen de selve niet mogen schieten in 't aan off ook in 't afgaan van de wagt, als [behalve] in tijt van noot. En opdat niemand zich op dit punt als onwetend zou kunnen voordoen "soo lasten wij dat desen sal werden gepubliceert, ende beveelen eenen iegelijken die het aangaan mag, hem daar naar te reguleeren [zich daaraan te houden]. Zo werd in de vergadering van schout en ambachtsbewaarders van Wassenaer en Zuidwijk op de 7e oktober 1710 besloten en werd het door de secretaris Jacob van Schevikhoven vastgelegd.
Albert Niphuis.