De vierde Engelse oorlog (1780-1784) had voor de Nederlanden een ongunstig verloop. Enkele koloniën gingen verloren en aan de handel over zee was ernstige schade toegebracht. De verliezen en de economische malaise leidden tot een algemeen crisisgevoel en de regering, vooral stadhouder Willem V, kreeg de schuld. Er waren, zo meenden velen, hervormingen en democratisering nodig in staat en bestuur. Deze democratisch gezinden beschouwden zich als vaderlandslievenden en noemden zich patriotten. Het nieuwe elan kwam vooral opvallend tot uiting in de vorming van democratisch ingerichte wapen- of vrijkorpsen.
Deze democratische stromingen leiden er toe dat ook het dorpsbestuur van Wassenaar, in november 1784, opdracht krijgt van de Staten van Holland "om volgens het gebruyk van vroegere tyden, de opgezeetenen ten platten Lande in de Wapenoeffening te doen onderwijzen en daartoe van behoorlijk geweer voorzien" moeten zijn. Er moet een lijst van weerbare mannen (18-60 jaar) worden gemaakt en er wordt besloten om "de opschrijving te doen in vijf ploegen". Deze ploegen gaan elk in een deel van Wassenaar huis aan huis informeren en registreren wie er tot de weerbare mannen behoren, of zij zelf een geweer bezitten of niet, en zo nee, of zij vermogend genoeg zijn om er een te kopen. Het resulteert in een lijst die 428 namen bevat. De 21 snaphanen die worden aangetroffen blijken van weinig nut, ze zijn "onbequaam om bij een regulier Corps gebruikt te worden" en er blijken niet meer dan 85 mannen vermogend genoeg te zijn om zelf een geweer te kunnen kopen.
Nog in diezelfde maand november wordt de lijst met weerbare mannen opgestuurd aan de Staten van Holland. In zijn begeleidend schrijven meldt het dorpsbestuur dat bij het opschrijven is bespeurd dat er zowel onder de mannen als onder de vrouwen een "algemeen beklag [is] over het verzuym van tyd" dat het exerceren en het oefenen met wapens hen zal kosten en dat dat vanzelfsprekend zijn gevolgen zal hebben voor de "meer of min verteering" die men kan doen. "En", zo gaat het dorpsbestuur voort, "vermits de meeste van deze landlieden zijn arbeiders en lieden die een gering daggeld winnen, en doorgaans met een huis met kinderen voorzien zijn, vreezen wij, dat indien dezelve hier in niet eenigsints konnen worden gesoulageerd [gecompenseerd] zulks in de wapenoefening veel difficulteyt zal veroorzaken".
Hoezeer deze beschouwing van een vooruitziende blik getuigde kon het dopsbestuur op dat moment nog niet werkelijk bevroeden. Op 25 januari 1785 echter zou de "difficulteyt" in volle omvang naar voren komen.
Marry Niphuis-Nell