In de 17e en 18e eeuw was de armenzorg een zaak van de kerk. Maar omdat kerk en overheid nauw met elkaar verweven waren, had ook het ambachtsbestuur de nodige zorgen wat dit betreft. Omstreeks 1700 zien we dat personen die zich in Wassenaar willen vestigen, in het bezit dienen te zijn van een zogenaamde Acte van indemniteit. Dat was een verklaring van de bestuurders van de plaats van geboorte volgens welke de houder, in het geval deze tot armoede mocht vervallen, het bestuur in de geboorteplaats voor zijn of haar onderhoud zou zorgdragen. Zo'n verklaring moest door de houder dus worden afgegeven aan de bestuurders van de plaats waar men zich wilde vestigen. Bij verhuizing naar een andere plaats werd deze weer opgehaald en in de nieuwe plaats afgegeven. En natuurlijk, Wassenaarders die naar elders vertrokken, hadden zo'n verklaring van het ambachtsbestuur van Wassenaar nodig. het bovenstaande nam niet weg dat het ambachtsbestuur nu en dan zijn heil zocht in een "Waerschouwinge". In 1701 begint deze aldus:
"Alsoo de armen alhier dagelijks komen te vermeerderen ende aan te groeijen, het welke voor een groot gedeelte ook wert veroorsaakt, met het incomen met der woon van buijten luijden [het hier komen wonen van mensen van buiten], soo ist dat schout en ambagtsbewaarders, naar het exempel van andere dorpen willende voorsien, dat haare armen niet 't eenemaal coomen te vervallen [het nog slechter krijgen]..." Om die reden zeggen ze een ieder aan, "dat zij aan geene buijten luijden en sullen mogen verhuijren eenige huijsinge, ofte wooninge in 't geheel ofte ten deele, ende ook de selve in huijs niet sullen mogen innemen, ten sij de selve verhuijrders ende innemers alvoorens ten behoeve van de armmeesters sullen hebben gestelt suffisante cautie [voldoende borgstelling]..." Dat moet dan ten genoegen van schout en ambachtsbewaarders zijn, opdat zeker is dat degenen die van buiten het ambacht komen niet ten laste van de armenkas komen. Als ze zich hier niet aan houden ("soo sij tegens het geene voorschreven is comen te doen") dan zullen ze "verbeuren een boete van vijftig guldens, een derde part voor den officier, een derde part voor den aanbrenger en een derde part voor den armen". Aldus werd besloten in de Baronnije van Wassenaar, de 8e Meij 1701. Het werd "naar clocke geslag gepubliceert", de 19e juni 1701, en nog weer herhaald in februari en oktober 1703 en in oktober 1705.
Albert Niphuis.