Zo begint een oud vaderlands liedje dat volgens velen verdergaat met:
Stroop in't kanneke
Laat de poppetjes dansen
Eerst was er de Prins in't land
En toen die kale Fransen
Dit wordt dan gezongen met een klein meisje op de knie dat op en neer gehopst wordt en dat zulks kraaiend van de pret ondergaat. Het liedje gaat zo te zien terug op de Bataafs-Franse tijd, 1795-1813 dus. De niet al te welwillende beschrijving van de Fransen, spoort met wat we op school leerden over de "sans culotten".Toch is er met dit liedje nog wat meer aan de hand. Een aantal van ons kent de op één na laatste regel als
Eerst was er de Pruis in't land.
Geheel onbegrijpelijk is de tekstverandering niet, want Prins en Pruis is in veel handschriften amper van elkaar te onderscheiden. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat het oorspronkelijk het laatste was. Het is weliswaar juist dat eerst de Prins in het land was, maar dat was (zij het met enkele onderbrekingen) al meer dan twee eeuwen het geval. Opmerkelijker was dat de Pruis in het land was. Nadat de vrouw van Stadhouder Willem V (Wilhelmina van Pruisen) op haar reis van Nijmegen naar Den Haag, door de patriotten de weg versperd was bij Goejanverwellesluis, schoot haar broer, de Koning van Pruisen, te hulp teneinde orde op zaken te stellen. En in het najaar van 1787 marcheerden 26.000 Pruisen het land binnen.
Het is aardig om te zien wat er in een vergadering van het Ambachtsbestuur van Wassenaer en Zuidwijk op 30 november 1787over de Pruisen bedisseld werd. Er waren op die dag twee officieren, "Pruisische Quartiermakers", bij de baljuw langs geweest: 50 huzaren moesten de winterquartieren betrekken in Wassenaar. De Baljuw had daarop gezegd dat hij zou trachten "dezelve behoorlijk op het platte Land bij de Boeren te inquartieren". De officier wilde ze echter in het dorp hebben omdat hij oog op ze wilde houden. Ook meende hij dat de ene burger niet zwaarder belast moest worden dan de andere, waarop ter vergadering enige leden erop stonden "dat die Last alléén door de patriotten moest gedragen worden, en wel door de gegoedste onder hun." De kwartieren werden bezichtigd waarbij een "bepaald getal door den Officier met krijd op de deur of vengsters van 't huijs geteekend weird; en is door den officier aan de bewoonders van die huyzen aangezegd dat zij moesten zorgen dat zijne luyden goed eeten hadden van Vleesch Spek Vis of Soupe, en ieder man één Fles Wijn en 2 kannen Bier daags, en des noods 3 kannen Bier." We weten wel dat bier toen het beste drinkwater was, maar die dagelijkse fles wijn valt op. Het loopt allemaal met een sisser af. Uiteindelijk komen de officier en zijn manschappen niet opdagen, zij het met behoud van enig voorgeschoten geld, zo lijkt het.