Huis ten Bosch, waar thans koningin Beatrix resideert, bevindt zich al sinds bijna een eeuw op het grondgebied van Den Haag. Vóór de grenswijziging van 1907 echter, behoorde Huis ten Bosch en zijn directe omgeving tot het Wassenaarse grondgebied. Toen dan ook in 1806 Lodewijk Napoleon Koning van Holland werd en zijn intrek nam in het Paleis in 't Bosch, zoals het toen werd genoemd, bezorgde dat het Wassenaarse dorpsbestuur de nodige kopzorgen.
Het waren de laatste jaren van het tijdperk waarin elke stad en elk dorp, of althans een groep van dorpen, een aparte 'hoge jurisdictie' vormde. Dit betrof een rechtsgebied annex rechtbank met vergaande territoriale autonomie en uitgebreide bevoegdheden in strafzaken. De ambachten van Wassenaer en Zuijdwijk vormden zo'n hoge jurisdictie, met een eigen baljuw en schout, en eigen schepenen (civiele rechtspraak) en welgeboren mannen (strafrechtspraak). Het was echter niet altijd even duidelijk waar het ene rechtsgebied ophield en het andere begon. Bemoeienis door rechtbanken en schouten met elkaars territorium was dan ook een permanente bron van interlokale competentiestrijd. Dat zo'n strijd zich ook tussen Wassenaar en Den Haag kon voordoen kwam naar voren, toen bekend was geworden dat Lodewijk Napoleon zijn intrek zou nemen in het Paleis in 't Bosch.
In het verslag van de vergadering van het dorpsbestuur van 2 juli 1806 staat hierover het volgende genoteerd:
"Den president steld aan de vergadering voor de groote noodzakelijkheid om zijne Majesteit de Koning te Complimenteeren en geluk te wenschen met deszelfs komste tot den Troon van Holland, en teffens onder 't oog te brengen dat deszelfs Residentie op het paleis in 't Bosch is onder de Jurisdictie van Wassenaer, vermits ingevalle het een of ander aldaar zoude moeten werkzaam zijn, wel ligt den Bailliuw van den Haag zich aldaar zoude indringen, en het naderhand misschien onmogelijk zoude zijn denzelve zulks te beletten; en dus Wassenaer aldaar deszelfs Regt van Jurisdictie zoude verloren zien; 't welk onverantwoordelijk zoude zijn zoo voor dit Gemeente Bestuur als voor het Collegie van Scheepenen ….."
De delegatie die op zondag 6 juli op audiëntie gaat bij de koning bestaat uit Adriaan van der Does, baljuw en schout, Abraham van Eijk en Johannes Mattheus Schweiser, leden van het gemeentebestuur, Doe Verbaan en Matthijs Rodenburg, schepenen, en Johannes Anthonius van Bergen, secretaris. Zij doen dat "behoorlijk in 't zwart gekleed" en de president (baljuw en schout Adriaan van der Does) zal "de aanspraak in de Fransche Taal … doen". Of Lodewijk Napoleon dat laatste zonder meer heeft geaccepteerd is niet zeker. Van hem is immers bekend dat hij zich al heel snel beijverde om Nederlands te leren en dat de dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) hierin zijn leermeester was.
Marry Niphuis-Nell