Nadat de Spanjaarden op 12 juli Haarlem hadden ingenomen besloten de inwoners van Leiden alle belangrijke gebouwen in de omgeving van hun stad af te breken ten einde te voorkomen dat de Spanjaarden zich erin konden verschansen of er op een andere manier gebruik van konden maken.
Op 26 juli was de molen van Wassenaar aan de beurt. Voor alle duidelijkheid : het gaat hier niet om de huidige molen maar om een betrekkelijk kleine houten standaardmolen . Zo’n standaardmolen werd domweg omgetrokken of in brand gestoken. Nadat enkele jaren later de rust was weergekeerd in ons dorp krijgt de molenaar –Maerten Claesz. – toestemming van de rentmeester van de Wassenaarse goederen om een nieuwe korenmolen te plaatsen. Reeds in 1577 had Maerten de overblijfselen van de Voorschotense korenmolen –deze molen was ook in 1573 ten dele verwoest- naar de oude molenwerf te Wassenaar kunnen verplaatsen. In 1581 krijgt hij bovendien de kans om een standaardmolen die op de stadsmuren van Rotterdam stond te kopen.
We mogen aannemen dat deze molen per schip naar ons dorp vervoerd is.
Dit lijkt zo op het eerste gezicht een heel karwei maar dat viel mee.
Zo’n molen die op de stadsmuur gebouwd was , was op eenvoudige wijze te demonteren en te vervoeren. Tijdens het beleg van een stad zou de molen immers in brand geschoten kunnen worden. Meestal werd de molen dan in onderdelen uit elkaar genomen en elders opgeslagen. Via merktekens kon men hem dan later weer op de juiste wijze in elkaar zetten.
Ook was het wel gebruikelijk om de molen te laten staan en te laten draaien , zelfs als er geen graan meer was. De vijand moest dan denken dat er nog voldoende voedsel in de stad aanwezig was. Hier komt de uitdrukking : “ Voor de Prins malen “ vandaan. Kennelijk kon Maerten de kosten niet alleen dragen want hij was slechts voor de helft eigenaar van de molen. Martijntje Philipsdochter – de weduwe van een andere molenaar – bezat de andere helft. Deze Martijntje was welgesteld. Zo bezat zij onder andere een tweetal huizen in de Langstraat en een tweetal in de Schoolstraat. Deze huizen kon zij als onderpand voor een lening gebruiken.
En zo stond er na negen jaar weer een molen in ons dorp. Maerten is tot 1619 de molenaar van deze molen geweest.
Carl Doeke Eisma.