De 9e december 1813 is een stille dag in Holland. Het waait nauwelijks, de lucht is betrokken en het dooit licht. De grote opwinding over het vertrek van de Fransen en de landing van de Prins van Oranje (kort daarna Koning Willem I) is alweer een week oud. De koeien zijn binnen en waarschijnlijk de meeste mensen ook.
Toch is het deze dag die de gemeenteraad van Wassenaar uitkiest om de eerste officiële aanhankelijkheidsbetuiging aan de nieuwe orde wereldkundig te maken. Landgenoten! roept de bode over het Plein. Met een onuitsprekelijk genoegen vernamen wij dat de inwoners der magtige stad Amsterdam, ’s Gravenhage en andere steden zijn doorluchtige Hoogheid den Heer Prince van Oranje & Nassau, als souverein vorst der Vereenigde Nederlanden hebben uitgeroepen. En zouden wij ons niet haasten, onze stem bij den algemeenen wensch onzer landgenoten te voegen?
Haasten is eigenlijk het woord niet. Want de uitbarstingen van Oranjegevoel in de grote steden, waar de bode het over heeft, dateren eigenlijk al van half november. De raad van Wassenaar heeft de vergane weken stil binnen gezeten en afgewacht.
Maar nu, terwijl buiten de loyaliteitsverklaring voor het nieuwe regime over het Plein schalt, moeten raad en maire binnen er aan geloven. Den Haag wil een brief met namen zien. Namen van mannen die na de driejarige Franse inlijving nog kunnen rekenen op de achting der ingezetenen. Zodanige opgave van recommendabele Personen moet den Haag in staat stellen een start te maken met onbelaste mensen. De oude, door de Franse prefect ingezworen raad, moet dus haar eigen opvolgers aanwijzen.
Maar ja, macht, geef dat maar eens weg. Maire Van der Staal besluit, samen met de raad, het offer te brengen. Maar tegelijkertijd schuift hij direct zijn rechterhand, adjunct J.A. van Bergen, naar voren. Uit hoofde van deszelfs kunde, ervaring en achting welke hij bij deze gemeente geniet. De brief zwijgt over Van Bergens positie in 1811 - toen hij zorgvuldig de gehate dienstplicht hielp invoeren – maar weidt uit over het feit dat hij onder de besturen die de Fransche inlijving hebben voorgegaan die post reeds verscheidene jaren met lof heeft waargenomen.
Op de twee lijsten die volgen, staan 24 Wassenaarders die zich in de Franse tijd gedeisd hebben gehouden. Zes van de gerecommendeerde namen staan aangevinkt. J. M. Schweizer, W. Van der Tak, J. Nell, J.L. Ruygrok, W.J. Beijersbergen en B. Van Vaelenbergh. Wat betekenen die vinkjes? Een shortlist, verborgen in een longlist?
Achter elk streepje gaat ongetwijfeld allerlei lokaal cliëntelisme schuil. Want de stormen van de geschiedenis mogen hoog overjagen, het dorp kent zijn eigen loyaliteiten en zijn eigen besognes. De brief blijft buiten de boeken. Van der Staal blijft gewoon zitten. Na een jaar krijgt Van Bergen de touwtjes in handen. Hij laat ze de komende 40 jaar niet meer los.
En als hij na de titels (vice) president (1813) en schout (1817) gedragen te hebben, in 1825 officieel burgemeester gaat heten, stelt hij een raad samen met daarin twee namen uit zijn Franse tijd, twee aangevinkte namen van de lijst van 1813 en twee niet aangevinkte personen van diezelfde lijst.
Goed en fout spelen geen rol. Hij houdt de boel bij elkaar.
Mathijs Deen