Wassenaar kreeg ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog op uiteenlopende wijzen met de strijd te maken. Bekend zijn de zware beschadiging van onder meer de Dorpskerk en de molen in 1573 in verband met het beleg van Leiden. Minder aandacht kreeg tot nu toe dat op gezette tijden manschappen werden opgeroepen voor verdedigingswerkzaamheden.
In het Gemeentearchief vinden we daarover onder 'Militaire zaken' echter het nodige. Blijkens een handgeschreven brief van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rijnland aan schout en ambachtbewaarders van Wassenaar en Zuidwijk van 17 februari 1624 werd verlangd, dat men met honderd personen tussen 18 en 60 jaar naar Utrecht zou komen om daar het ijs in de Vecht te bijten (kapot te hakken), opdat de vijandelijke troepen daar de rivier niet zouden kunnen oversteken. En er is ook een lijst van personen die "opgetrocken zijn deur last ende bevel van de Hoog Mogende Heeren Staten, den xviii februarij xvjC vijer entwintich naer Uijtrecht om te bijten" Steeds wordt één naam genoemd 'voor' twee andere personen. Soms echter twee namen voor drie andere personen, bijvoorbeeld:
Pieter Woutersz voor Leender Jansz Key ende Cornelis Ariensz
Cornelis Joosten ende Willem Louwersz voor Pieter Mouwersz van Wou, Jan Claesz Teydingerbrouck ende Aem Ariensz.
Zo zijn er 42 namen van mannen uit het ambacht Wassenaer, 26 uit Zuidwijk en 23 uit 'het deurp'. "Dese persoonen zijn den xviij den februarij 1624 op sonnedach naer Uijtrecht gegaen, sander daechs daer ghecomen ende hebben daer het ijs op ghebijt tussen Uijtrecht ende Aemsterdam, die vaert omtrent 200 roe [ca 750 m], ende zijn wederom af ghedanckt tuijs ghecomen den xxj sten dijto want doen daer tijdingh quam datte vijant was vertrocken".
Van een dag later, 22 februari is er echter een gedrukte oproep aan schout en schepenen van Wassenaar en Zuidwijk om voor het open houden van de Vecht met 17 man (getal is met de hand ingevuld), voorzien van "haecken en bijlen" op het Gemeenelandshuis van Rijnland te Leiden te verschijnen. Het bijgevoegde verslag zegt onder meer:
"Opten xxiij e februarij 1624 zijn dese persoonen naer Uijtrecht ghetrocken deur last vande deurluchtigen prince van Orangen om aldaer te bijten ende open te houden de Vecht tussen Uijtrecht ende de brugge tot Breuckelen mitsgaders twee ambachtsbewaerders, een uijt Wassenaer ende een uijt Suijtwijck te weten Jochem Mouwersz van Wou ende Jacob Ariensz Roosenburch."
Ze waren allen aangenomen voor dertig stuivers per dag, terwijl Jacob Jacobsz Hillenaer, Willem Pietersz Roosenburch en Arien Dircxsz van Teijlingen voor het rijden met wagens elk negen gulden ontvingen. Het verslag besluit echter met: "Den 25 wederom ghecomen, niet ghewrocht" [niet gewerkt].
Albert Niphuis