In een vorige aflevering werd gemeld dat het gemeentebestuur van Wassenaar in 1926 het liefst had gezien, dat het gebruik van honden als trekdier verboden zou worden. Zo ver was het echter nog niet.
En jaarlijks vond een herkeuring van dieren en materieel plaats met assistentie van een inspecteur van de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren. Naar aanleiding van de keuring in 1928 schrijven de burgemeester en wethouders een brief aan de "Heeren Gedeputeerde Staten der provincie Zuid-Holland". Zij vermelden hierin de keuring en de kosten, zijnde: Drukwerk f. 14,42 en Maatstok f. 5,20. Verder schreven zij dat de inspecteur geen honorarium vroeg. Zij vonden echter dat een vergoeding wel op zijn plaats was en stelden een bedrag van f. 10,00 voor.
Op 28 juni 1928 schrijft de burgemeester aan zijne Excellentie den Minister van Staat, als antwoord op een brief van 27 maart 1928 het volgende:
" heb ik de eer Uwe Excellentie te berichten, dat door mij slechts één vergunning is afgegeven tot het plaatsnemen van een persoon op een hondenkar. Het betreft een jong kind, dat somtijds haar grootvader vergezelt, wanneer deze met zijn hondenkar bestelde brandstof bij zijn klant thuisbezorgt". Vanaf 1929 vonden de jaarlijkse keuringen plaats op de binnenplaats van het politiebureau aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat. Verstrekte vergunningen werden ingeschreven in het register van hondenkarren. Indien men zich niet hield aan de bepalingen van de "Trekhondenwet" kreeg men een doorhaling in het register. Dit hield in dat men zijn vergunning kwijt was en dat men zijn nering niet naar behoren kon uitvoeren. Men kon echter na 30 dagen een nieuw verzoek voor een vergunning indienen. Ook bij overlijden van de begeleider werd de vergunning in het register doorgehaald.
In 1931 stonden in Wassenaar nog 86 houders van trekhonden genoteerd. Er werden dat jaar echter drie honden met kar en tuig ter keuring aangeboden en goedgekeurd. In de berichtgeving van de burgemeester en wethouders aan de minister van Staat wordt de volgende verklaring afgegeven:
"Het register van houders van hondenkarren bevat 86 namen; in de loop der jaren zijn er hiervan 16 overleden en 18 naar elders vertrokken, terwijl er 48 houders, hoewel nog ter plaatse gevestigd zijnde, door verandering van werkkring als anderszins geen trekhonden meer voor hun bedrijf bezigen en dus geen gevolg hebben gegeven aan de gedane oproeping om met hond, kar en tuig ter keuring te verschijnen.Eén ingeschrevene woont alhier, doch houdt zijn honden te Rotterdam, alwaar deze zijn herkeurd".
In de vragenlijst behorende bij de keuring werd echter niet aangegeven dat de betreffende vergunningen waren doorgehaald. Hiervoor krijgt de Gemeente op 18 maart 1932 een schriftelijke berisping van het provinciaal bestuur van Zuid-Holland, ondersteund door de minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw:
"....uit het 2e lid der wet vloeit voort, dat de inschrijving van een houder, die om welke reden dan ook niet op de laatstelijk uitgeschreven keuring verschijnt, wordt doorgehaald". Hierop werd d.d. 21 maart 1932 geantwoord dat slechts drie trekhondenhouders ingeschreven stonden.
In 1933 waren dat er nog twee en werden tekortkomingen aan karren en tuig verholpen. In 1934 werden geen honden meer ter keuring aangeboden en werden de laatste twee vergunningen doorgehaald. Tot 1953 werden jaarlijks keuringen uitgeschreven: er waren echter geen aanmeldingen meer. In 1953 is de wet buiten werking gekomen.
Henk J. van Haastregt

Hondenkar van de fa. J.P. Vogels, ca. 1920. Collectie Robert van Lit.