Verleden jaar kocht ik op een vlooienmarkt uit nostalgie een paar Dik Trom boeken. In een van deze boeken werd een wedstrijd beschreven met door trekhonden bespannen wagentjes. Dik Trom won deze wedstrijd door aan zijn zweep een worst te hangen, welke hij voor de snuit van de hond hield. Een hond overigens die hij gered had van de verdrinkingsdood door hem te ruilen voor twee duiven. Hij was een bijzonder kind en dat was hij.
Nu werden in de vorige eeuw vaak trekhonden met een karretje gebruikt om bijvoorbeeld levensmiddelen als melk, brood en grutterswaren uit te venten. Zo’n wagentje kon op twee manieren bespannen worden: de hond voor de kar of de hond onder de kar. Dat is dierenmishandeling zou men nu zeggen. Dat vond toentertijd de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren ook. Zij kreeg voor elkaar dat op 14 juli 1910 een "Wet houdende bepalingen ter bescherming van trekhonden" werd goedgekeurd. De wet, bekend als Trekhondenwet, trad op 1 september 1911 in werking. In deze wet werden de voorwaarden vastgelegd, waaraan men moest voldoen om een vergunning voor een trekhondenwagen met hond(en) te verkrijgen. Zo was het verboden kreupele, schurftige, gewonde, zichtbaar drachtige dan wel zogende honden te gebruiken. Voorts moesten de honden volwassen zijn.
Honden die voor de kar gespannen werden, moesten een schouderhoogte van minimaal 60 cm hebben en honden die onder de kar gespannen werden 50 cm. Het tuig behoorde een borstriem van minstens 4 cm breed te hebben en gemaakt te zijn van zacht leder. Ook de kar moest aan diverse voorwaarden voldoen. Zo diende deze te zijn uitgevoerd met steunen, welke moesten voorkomen dat bij stilstand de kar op de hond rustte. Tevens moest de kar voorzien zijn van een drinkbak. De kar moest de naam dragen van de houder, de gemeente van uitgifte en het verstrekte registratienummer. Dit alles moest goed leesbaar zijn. De geleider van een hondentrekkar mocht niet onder de 14 jaar zijn. Er mochten niet meer dan twee personen op de kar aanwezig zijn. Later, per 1 januari 1928, werd het verboden dat personen zich op de kar bevonden. Voorbespannen wagentjes mochten maximaal drie honden (naast elkaar) en onderbespannen wagentjes maximaal twee honden hebben. De snelheid van de kar mocht niet hoger zijn dan die van een paard in draf. Het gaat te ver de complete wet hier uit te schrijven. Bovengenoemd zijn de belangrijkste voorwaarden waaraan men moest voldoen om een vergunning voor een trekhondenkar te verkrijgen.
Per pamflet, getekend door o.a. burgemeester Storm van 's Gravesande, werd aangekondigd dat de Trekhondenwet op 1 september 1911 in werking zou treden. Houders van hondenkarren werden hierin aangeraden zich tijdig te doen inschrijven. Inschrijving zou worden geweigerd indien hond, tuig, hondenkar of geleide niet aan de voorschriften voldeden. Op 1 juli 1926 schreef de burgemeester aan de commissaris der Koningin in de provincie Zuid-Holland, dat het college van Wassenaar op het standpunt stond, dat een "absoluut wettelijk verbod op het gebruik van den hond als trekdier behoort te worden uitgevaardigd".
Zij onderbouwden dit standpunt met de opmerking "dat er in Wassenaar slechts weinig trekhonden waren en dat de wegen grotendeels klinker- en basaltwegen zijnde, en dus allerminst geschikt waren voor het gebruik van honden als trekdier".
Een antwoord op dit verzoek heb ik helaas niet kunnen vinden, maar uit de jaarlijks gevoerde correspondentie is duidelijk dat het verzoek niet werd ingewilligd. (wordt vervolgd)
Henk J. van Haastregt