Na de aanstelling van de tweetalige secretaris bij het dorpsbestuur, in april 1813, blijft het voorlopig even rustig op het front van de Franse taal. Heel erg lang duurt dat echter ook weer niet.
Nu is het onderwijs op de lagere school aan de beurt. In december van 1812 vraagt de prefect bij het gemeentebestuur allerlei informatie over dat onderwijs in Wassenaar. Uit het overzicht dat de maire vervolgens verstrekt blijkt, dat er één “maître d’école” is, die wat betreft de “langue vivante” alleen les geeft in de “langue hollande”. In een brief van februari 1813 aan de onderprefect erkent de maire, dat de schoolmeester van de openbare lagere school niet voldoet aan de wettelijke vereisten wat betreft onderwijs in de Franse taal. Maar, zo schrijft hij, de meester is al op een dermate gevorderde leeftijd, dat het leren van een vreemde taal voor hem “quantité d’obstacles” zou opleveren. Sjouke Gerritsz Wezel is op dat moment 47 jaar oud. Te oud of niet, in ieder geval laat de onderprefect daarop weten, dat in Wassenaar ambtshalve een “sous maître” zal worden toegevoegd aan de “maître d’école”.
In een rondschrijven van de onderprefect aan de maires van zijn arrondissement, krijgt ook de Wassenaarse maire te horen dat hij ouders onder de aandacht moet brengen hoe zeer het van belang is, dat hun kinderen van jongs af aan zowel de “langue maternelle” (moedertaal) als de “langue Nationale” leren. Ook schrijft hij dat hij heeft gemerkt dat de “classe du peuple” (het gewone volk) een “grande insouciance” (grote zorgeloosheid) aan de dag legt voor deze kwestie. “Ik kan u niet ernstig genoeg aanbevelen”, zo gaat hij verder – in het Frans uiteraard -, “u in te spannen om deze houding te veranderen, met alle middelen die uw ijver als doeltreffend zal beoordelen ….”. Er worden zelfs maatregelen gesuggereerd voor wie geen Frans zou willen leren.
Het heeft er alle schijn van dat het leren van de Franse taal dwingend aan de schoolgaande jeugd wordt opgelegd. In Wassenaar zal deze maatregel echter pas tot uitvoering kunnen worden gebracht als daarvoor een onderwijzer is gevonden. In april van 1813 blijkt het zo ver te zijn: de maire laat aan de onderprefect weten, dat de schoolmeester erin is geslaagd een ondermeester aan te trekken die de Franse taal kan onderwijzen; hij heeft zelfs een acte van de 3e klasse.
Veel Frans zullen de Wassenaarse kinderen niet geleerd hebben. Napoleon was immers inmiddels op zijn retour en de Nederlandse bevolking liet steeds duidelijker haar ongenoegen met de Franse overheersing blijken. In het najaar van 1813 stonden Van Hogendorp c.s. en de Prins van Oranje klaar om het roer over te nemen. Hun proclamatie van 21 november begint met: “Het oogenblik is gebooren, waarop wij ons Nationaal bestaan herneemen; de zegepraal der Bondgenooten heeft de hoogmoed van onzen onderdrukker vernederd, heeft zijne reuzenmagt vergruist.” Ook het vervolg van deze proclamatie laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Van de in- en uitgaande brieven die in het Wassenaarse gemeentearchief aanwezig zijn, dateren de laatste Franstalige exemplaren uit het midden van november 1813. Daarna wordt alles weer in het Nederlands gesteld. Er is geen woord Frans meer bij.
Marry Niphuis-Nell