Verkopen van Wassenaarse goederen bij decreet
Het huis te Waersdorp [Waalsdorp]
“Wiet in Wassenaar”
Al weer een poos terug werd ik bij het doornemen van mijn lijfblad (de Wassenaarder natuurlijk) opgeschrikt door het bericht dat in onze gemeente een hennepknipperij was opgerold. Je vraagt je dan al gauw af of die planten ook in Wassenaar geteeld zouden worden. En ja, waarom ook niet. De gemeentegrens is immers geen vestingmuur. Maar vroeger kon zoiets in onze keurige gemeente toch niet gebeuren? Of toch wel?
Op 3 januari 1628 verkochten de erfgenamen van jonkvrouw Margrieta van Duvenvoerde het huis te Waersdorp aan Maria Cornelisdochter, weduwe van Jan Jacobss. Mus, bij zijn leven burgemeester van Rotterdam. Het goed werd beschreven als een woning, tuin, boomgaard, een henneptuin en landen en toebehoren. De enige opposant was de baljuw van Wassenaar die beweerde dat een deel van de goederen belast was met graan- en lammertienden, welke eis door de kopers en vervolgens door het Hof zonder meer werd geaccepteerd. De levering vond plaats bij willig decreet op 26 september 1628. Op 29 december 1604 was datzelfde huis ook al verkocht. De verkoopster was jonkvrouw Johanna van Groenevelt en de koper werd jonker Alexander Wischart. Bij de beschrijving is sprake van een woning, twee henneptuinen, gelegen oost en west van het huis, een tuin en een boomgaard. De verkoopster maakt bij dit alles een voorbehoud voor de Waelsdorpse thienden, mette plantaige, soo van appelen, peeren, ipen als anders. De levering vond ook toen plaats bij willig decreet op 6 mei 1605. In dit geval is er dus zelfs sprake van twee henneptuinen die kennelijk openlijk naast het huis waren gelegen. Nader onderzoek wijst uit dat ook andere huizen en boerderijen waren voorzien van henneptuinen, hennepkroften, henneplanden, hennepwerven enz. Moeten we nu concluderen dat Wassenaar in de 16e en 17e eeuw een soort gouden driehoek van de wietteelt was? Breiden we het onderzoek nog wat uit dan blijkt dat er in heel Holland en Zeeland volop hennep werd geteeld. Hier is iets anders aan de hand. Hennep werd namelijk hoofdzakelijk gebruikt voor de productie van touw, niet alleen voor gebruik op de boerderij, maar vooral op schepen. Een groot zeilschip alleen al had kilometers hennepkabel aan boord. Ook het kortste eindje aan boord (het belkoord) was van hennep gemaakt. Bovendien moest voor lange reizen altijd veel reservemateriaal worden meegenomen. Tel maar eens op: de schepen van de Oost- en West-Indische Compagnie, de Noordse Compagnie, de Oostvaart, de Levantijnse handel, de oorlogsvloot, de vissersvloten en je komt uit op een enorme vraag naar touw waarvan kennelijk iedereen een graantje meepikte. Geen wonder dat Michiel Adriaansz. de Ruyter zijn carriere begon aan het grote wiel van een touwslagerij. En dat zijn dan nog alleen de maritieme toepassingen want ook aan land werd veel touw gebruikt. Zelfs de beul van Holland bediende zich van hennep. Executie door ophanging stond zelfs bekend als de bruiloft met de dochter van de touwslager.
Geen hennep voor wiet dus. Maar toch zit er iets vreemds aan deze kwestie. Omdat het een natuurproduct betreft, werden al die planten in dezelfde periode geoogst. Maar wat doe je dan met het afval, de bladeren en de bloemknoppen? Je kon die natuurlijk op de mestvaalt gooien, maar veel aannemelijker is dat het afval naar goed agrarisch gebruik werd verbrand. Wat weer leidt tot de vraag of zo’n hele gemeenschap dan een week lang stoned was? Misschien zal ook daar wel een eeuwig silentium op rusten.
Rob Huijbrecht

Tekening van het dorpsplein van J.E. la Fargue van 1773. Foto Gemeentearchief.