In het gemeentearchief bevinden zich vele documenten over de belastingheffing (de verpondingen) in voorbije eeuwen. Er is veel herkenbaars, taxaties, aanslagen, bezwaarschriften e.d. Maar één tekst viel me nogal op. Omstreeks 1731 is er sprake van een complete herziening (redres) van de taxaties van de huurwaarde van gebouwen. Waar sprake was van verhuur, werd de feitelijke huurprijs genomen; in andere gevallen werd getaxeerd.
In de lijsten vind je meestal de volgende groepen: de kastelen en buitenplaatsen (bijv. het Huijs Persijn, Rixdorp en het Huis ten Bosch), de huizen in het dorp en als derde groep de boerderijen. Maar ingevolge een aanwijzing van de Staten van Holland, moeten nu ook de andere “getimmerten” buiten het dorp getaxeerd worden. Dat leidde ertoe dat schout (toen Joan van Gybelant) en ambachtsbewaarders bij toezending van de resultaten aan de Staten van Holland een begeleidende brief toevoegden. Ze vinden “sig verpligt UEdel Mog: in alle onderdanigheid te vertoonen en te seggen, dat zij vermijnen [van mening zijn], dat alle de huijsen ten Platten lande buijten de Dorpe getimmert op landen in de Verpondinge contribueerende, niet behoorden oft met een seer geringen verpondinge te werden belast, alsoo het een verlooren en wegh geworpen capitaal is”. Ze zijn dit van oordeel omdat de landen bij verkoop niet meer opbrengen. Het is zo dat de desbetreffende bouwsels “soo wel int verkoopen als int verhuuren als een toegift werden gereekent en daar en boven de landen daar op huijsen zijn getimmert mettertijt minder renderen en geven als de landen daar op geen huijsen getimmert staan aangesien de groote reparatie die dagelijks te doen sijn, den geheelen huur ruijm absorbeert”.
Maar ook de geconstateerde huren van huizen in het dorp en aan den Deijl baren de bestuurders zorgen. Uit de huurcontracten die ze hebben gezien bleek dat “het grootste gedeelte van dien sijn slegte en bouvalligen huijsen, dewelken van seer geringen luijden werden bewoont ..” Tot hun “leetweesen” hebben ze er daar maar al te veel van. En ze schrijven dat “die met een sooberen dagh gelt meest buijten het ambagt haar cost moeten gaan winnen met het aanneemen van werken, waar van sij veeltijts geringe daghloonen bedingen om maar een stuck broot voor vrouw en kinderen te konnen winnen …” Het is dan ook zo dat “de verhuurders wel veel bedingen en de huurders belooven omme maar onder dack te komen dog weijnigh wegens haar onvermogen connen geven en dierhalven uijt meedelijden van de verhuurders nog werden gehouden.”
Het ambachtsbestuur motiveert op deze wijze dat men in een aantal gevallen niet de in de contracten vermelde huurprijs heeft overgenomen maar getaxeerd heeft wat een passende huurwaarde zou zijn. Per geval is dat aangegeven met de woorden “Regart neemende op de waarde en niet de eijgentlijke uijtgeloofde huur”. Zoals gezegd, 1731.
Albert Niphuis