Het huis Santhorst
Op 18 januari 1694 werd ‘de Hoffstede van Santhort met de wooninge, bouwhuijs,’ met alles wat daarmee aard- en nagelvast verbonden was, door de voogden van de minderjarige kinderen van Adriaen Schats en wijlen Cornelia Nierop verkocht.
Tot het goed behoorden ook boomgaarden, tuinen, grachten en singels, zoals die beplant en betimmerd waren, samen groot 31 morgen, 1 hond en 88 roeden, waarvan een deel leengoed was van de Staten van Holland en de rest vrij eigendom van de verkopers. Het onroerend goed werd beschreven als gelegen aan weerskanten van de Steenwetering [bedoeld moet zijn de Veenwatering], strekkende tot aan de Papeweg, zoals beschreven in een kaart van de hand van Jan Petersn Douw en zijn zoon Johannes Douw. Het geheel werd door mr. Willem Fabricius, burgemeester van Haarlem en hoofdbaljuw van Kennemerland, gekocht voor 10.000 ponden, te betalen in vier termijnen. Afgesproken werd dat het goed zou worden geleverd met gebruikmaking van de procedure van willig decreet.
Op voorhand hadden de arm- en gildemeesters van Wassenaar zich al opposant gesteld. De voorgeschreven drie afkondigingen van de levering bij willig decreet leverden geen andere opposanten op. Bleven dus over de arm- en gildemeesters van Wassenaar. Wie wel eens naar het programma van de Rijdende Rechter kijkt, weet dat dit soort zaken negen van de tien keer gaat over bomen op de erfscheiding of over het recht van overpad. Dat laatste was ook in deze zaak het geval. Maar wie zich al verheugd had op een pittig proces kwam bedrogen uit. Kennelijk hadden de opposanten al tevoren contact gezocht met de koper en een en ander in der minne geregeld. De koper had in een onderhandse akte verklaard akkoord te gaan met het vanouds bestaande recht van overpad van de opposanten voor zover het ‘t ‘gildecampie’ aangaat, gelegen aan de wetering ten oosten van het huis Santhorst. Vermoedelijk hebben we hier te maken met een stukje (kampje) land van het gilde dat slechts over land van Santhorst bereikt kon worden. Beide partijen wonnen door deze manoeuvre tijd en geld, want ook een proces in oppositie verliep niet kosteloos. Goed beschouwd waren de enige verliezers de juristen die met dit soort processen hun brood moesten verdienen. De onderhandse akte werd bij het decreet gevoegd, waarna het Hof op 12 oktober 1694 overging tot interpositie van het decreet onder oplegging aan alle betrokkenen van een ‘eeuwich swijgen ende silentium.’
Rob Huijbrecht