Van tijd tot tijd heeft het lokale bestuur wat te stellen met de honden van de ingezetenen. Net iets meer dan vier eeuwen her (17 oktober 1607), verklaarde de toenmalige Houtvester van Holland dat “die van den dorpe van Wassenaer” aan hem verzocht hadden “haeren honden te mogen houden ongebloockt en ongepoot…”
Ze hadden dat verzoek gedaan “omme te verhoeden ‘t pericule [gevaar] van brandt, welcke daer uuyt soude moge comen…” Uit latere teksten begreep ik dat ‘ongeblockt’ betekende, dat de honden dan niet een blok hout aan hun hals hadden hangen. En ‘ongepoot’ betekende dat niet één van hun poten met een touw aan de hals vastgebonden zat. Dergelijke maatregelen moesten worden genomen opdat de loslopende honden geen schade in de ‘Wildernisse’ [het duingebied] zouden veroorzaken. Bij mogelijke schade moeten we wellicht denken aan het vangen van konijnen en (jong) gevogelte.
De houtvester noemde het risico van brand als de honden een blok aan hun hals hadden. Misschien was het zo, dat als de honden met zo’n blok wat dicht bij een open vuur lagen, het blok kon gaan schroeien en de honden op die manier het vuur konden verspreiden. Maar dit zag ik nergens toegelicht. Aan de instemming van de Houtvester was wel de voorwaarde verbonden dat men “daer voore te willen doen eenige reedelyke recognitie” [een vergoeding zou betalen]. Dit bleek 18 gulden te zijn. Dit bedrag was “omme geimployeert [gebruikt] te werden tot cleedinge ende onderhoudt van ses dieners [dienders] vande voorsz wildernisse alles tot weder seggen toe …” Mochten de honden toch schade toebrengen, dan zullen de ingezetenen onderworpen zijn aan ‘de peyne [straf] ende boete daer toe staende” ingevolge “die placcaeten” [de wetten]. Een volgende akte is van mei 1633. Dan maakt Johan van Kerckhoven, heer van Heenvliet, “Houtvester van Hollant ende Westvrieslant” met schout en ambachtsbewaarders een zelfde overeenkomst voor de tijd van tien jaren. De vergoeding is nu echter 30 ponden [pond en gulden was toen hetzelfde; de woorden werden afwisselend gebruikt].
En dan is er in april 1661 een wat strenge oproep van Jacob, “Baender-Heere van ende tot Wassenaer, Heere van Obdam etc.”, maar ook “Houtvester van Hollant en Westvrieslant”, aan Schout en Ambachtsbewaarders, om te verschijnen “aent Schouw [heel waarschijnlijk Het Haagsche Schouw te Leiden], ten Huyse van Wouter Theunisz, waert aldaer“, op 28 april 1661 “de klocke thien uyren precijs, te komen accorderen van dat alle heurluyder Ingesetenen Honden niet behoorlijck en zijn gepootet, ofte een Block aenden hals gehangen, in ghevolge van het xxxv, Artijckel van 't Placaet vande Wildernisse..” Schout en ambachtsbewaerders zijn kennelijk komen opdraven en hebben in presentie van tal van hoogwaardigheidsbekleders, o.m. “d’heere Nanningh van Foreest, eerste Raedt ende Mr vande Reeckeninge der Domijnen “weer een overeenkomst voor tien jaren gemaakt, nu voor 34 ponden per jaar.
Wat ik mij natuurlijk nog afvraag is of deze gang van zaken aan de basis heeft gestaan van de huidige hondenbelasting.
Albert Niphuis