Wie vandaag de dag onroerend goed wil kopen, wil natuurlijk zeker weten dat de verkoper ook echt de eigenaar is en dat dit goed ook werkelijk overeen komt met hetgeen wordt aangeboden. Daarbij moet er ook vooral op worden gelet of het goed is bezwaard met hypotheken of belast is met erfdienstbaarheden (bijvoorbeeld het recht van overpad).
Je kunt daar natuurlijk zelf voor naar het kadaster en naar de bewaarder van de hypotheekregisters gaan, maar in de praktijk doet de notaris die de transportakte opstelt dat werk voor je. Het kadaster dateert weliswaar al van 1832, maar wat moest je dan vóór die tijd doen om enige zekerheid te verkrijgen?
Centrale registers waren er niet, maar indien gewenst kon je zelf onderzoek doen bij de lokale schepenbank en bij de notarissen ter plaatse. Ook dat gaf echter geen absolute garantie. Zo kunnen erfdienstbaarheden bijvoorbeeld door verjaring worden gevestigd. Tja, wat nu te doen?
Aan het begin van de 16e en vermoedelijk zelfs al aan het eind van de 15e eeuw is er een oplossing voor dat probleem bedacht. Deze uitweg stond bekend als verkoop bij decreet. Van deze rechtsvorm zijn er twee varianten: het willig en het onwillig decreet. Het onwillig decreet is hoogstwaarschijnlijk de oudste van de twee en is ontstaan in het kader van executoriale verkopen. Als iemand zijn schulden niet kon betalen kon er beslag worden gelegd op zijn goederen. Deze werden dan door een deurwaarder verkocht. Dat ging als volgt: bij de aanvang van de gedwongen (onwillige) verkoop stak de deurwaarder een kaarsje op een schotel aan. Zolang het kaarsje brandde kon er bij opbod worden geboden. De hoogste bieder biden uutganck vanden brandenden keerse was de voorlopige koper. Vervolgens werden geëxecuteerde, koper en eventuele opposanten gedagvaard. Voor degenen die enig recht op het goed meenden te hebben was oppositie natuurlijk dé gelegenheid om dat naar voren te brengen. Het gelijk of ongelijk van de opposant werd daarop door de rechter vastgesteld. Daaraanvolgend werd de tweede verkoop van het goed door de deurwaarder drie maal, op zon- en marktdagen, geproclameerd. Meestal ging dat gepaard met klokgelui of tromgeroffel. De tweede verkoop vond plaats bij het aftrecken van’t zegel van den wassche [het wegnemen van het zegelstempel]. Werd bij de tweede verkoop meer geboden dan ging het goed naar de tweede koper, anders bleef het aan de eerste koper. Vervolgens werd het decreet vastgesteld en werd over de kwestie een eeuwig silentium afgekondigd. Dat wil zeggen dat niet meer kon worden teruggekomen op de zaak. Dit systeem beviel zo goed dat iemand bedacht moet hebben dat het ook wel kon worden gebruikt als het geen executie betrof, d.w.z. bij gewone verkopen. De verkoop kan tevoren plaatsvinden waarna partijen zich na onderlinge afspraak tot het Hof wendden met verzoek om decreet (willig decreet). Na proclamatie en eventuele procedures kon ook dan een eeuwig silentium worden opgelegd. Het systeem werkte voortreffelijk want het gaf een maximum aan rechtzekerheid. Maar juristen zouden geen juristen zijn als er niet toch wat uitzonderingen en finesses waren die konden leiden tot eindeloze procedures.
Een volgende keer zullen we eens bezien welke Wassenaarse goederen er in de loop der eeuwen zoal volgens dit systeem zijn verkocht.
Rob Huijbrecht