Zo’n krantenkop is waarschijnlijk even schrikken voor de argeloze Wassenaarse automobilist. Gelukkig gaat het hier over de situatie ruim twee eeuwen geleden. Van een straat was toen geen sprake. De rijweg van Den Haag via Den Deijl en het Haagse Schouw naar Haarlem was vanaf de brug bij Huis ten Bosch een erg moeilijk begaanbare zandweg.
Het overvloedig aanwezige zand zorgde voor schade aan rijtuigen, snel vermoeide paarden en vertragingen bij post- en passagiersvervoer. Al sinds het einde van de 17e eeuw werd geklaagd over de extra kosten die dit met zich meebracht. Bestrating was echter ook een dure grap en zo bleven de belanghebbenden meer dan 100 jaar argumenten uitwisselen, zonder dat het tot daden kwam.
Echter op 6 december 1804 hakte het departementaal bestuur van Holland de knoop door. Er zou een straatweg komen. In verband hiermee werd begin februari 1805 na het luiden van de klok van de Dorpskerk een “Kerkgebod” aangeplakt. Hierin stond dat Wassenaarders die eigenaar waren van grond langs de weg binnen vier weken moesten kiezen: of een strook grond langs de weg afstaan aan het departementaal bestuur, dan wel die strook te behouden onder de verplichting deze op eigen kosten te beplanten met bomen die minstens zes meter hoog zouden worden. De meesten kozen voor de laatste optie, ondanks het feit dat ook het onderhoud van het geboomte in de toekomst voor eigen rekening zou blijven.
Intussen was het bestuur voortvarend aan de slag gegaan. Bij tal van steenbakkerijen, vooral langs de Gelderse en Hollandse IJssel, bestelde men een enorme hoeveelheid klinkers die per schip werden aangevoerd. Bij het Haagse Schouw en in de Zijlwatering bij de Zijdeweg werden losplaatsen aangewezen. Om de stenen ter plaatse te krijgen zijn twee kroegbazen gecontracteerd, die ook een stalhouderij exploiteerden. Dat waren Cornelis Jacobszoon Beijersbergen van het Haagse Schouw en Matthijs Brans van de Nieuwe Deijl. Met man- en paardenkracht moeten ze er een enorme klus aan gehad hebben. Alleen al Matthijs Brans transporteerde van mei tot september 1805 ruim 3,6 miljoen klinkers. Daarmee werd een straat gelegd van minimaal bijna drie, soms vier meter breed.
Eerst had het departementaal bestuur de uitvoering van het werk zelf geregeld, maar zoals wel vaker gebeurde in die tijd, besteedde men de verdere realisatie al snel uit aan een commissie.
Deze Commissie van de Straatweg moest de bestrating organiseren, het wegbeheer regelen en vooral zorgen dat de financiering in orde kwam. Hiertoe schreef men een obligatielening uit van 200.000 gulden. Om dit bedrag aan de aandeelhouders terug te kunnen betalen moest geld verdiend worden en wel door middel van tolheffing. Hierbij was natuurlijk geen tijd te verliezen. Hoe dit in zijn werk ging, komt in het volgende deel van dit verhaal aan de orde.
Albert Clobus

De portierswoning van De Paauw aan de met bomen omzoomde Rijksstraatweg in 1860. Op deze plaats, bij de hoek met de Raadhuislaan, ligt tegenwoordig een ongeveer even breed fietspad. (foto gemeentearchief Wassenaar).