Op 28 december 1819 was de Notificatie over het sluitingsuur van schout en gemeenteraad van Wassenaar en Zuijdwijk van kracht geworden. Om 10 uur ‘s avonds moesten herbergen en tapperijen sluiten. Iedereen was hiervan op de hoogte gesteld. Maar ... binnen veertien dagen was het al mis, zo blijkt uit een proces-verbaal. “Op heden den negenden Januarij agttienhondert twintig, des avonds omstreeks half elf uren hebben wij ondergetekenden Jasper van Leeuwen en Augustinus Erbe, beide veldwagters te Wassenaar ons bevonden ten huize van Aart de Hees, tapper in de herberg De Koornbloem binnen den dorpe van Wassenaar getekend met No. 175”
Op die avond treffen de veldwachters daar nog heel wat volk aan. In het voorhuis staan er vijf. Dit zijn: Andriesse Kloosterman, Jochem Remmerswaal en Arij van Tol, allen arbeiders die in Wassenaar wonen; de andere twee zijn aan de veldwachters onbekende ‘manspersonen’. Vervolgens zitten er in het binnenvertrek nog vier Wassenaarders aan tafel. Dit zijn: Hendrik Breroe, Maarten Giezeman, Klaas Orie en Dirk Kloosterman. De laatste is timmerman; de anderen zijn arbeiders. De veldwachters stellen vast dat hier gehandeld is tegen de Notificatie van schout en gemeenteraad van Wassenaar en Zuijdwijk van 28 december 1819. Daarom hebben zij die avond om 11 uur “dit procesverbaal opgemaakt en gesloten”. Met verwijzing naar hierboven genoemde dag, maand en jaar volgen dan de handtekeningen van de genoemde veldwachters.
Van deze overtreding is de verdere afwikkeling van de boeten niet bewaard gebleven. Maar vijf jaar later vallen er nog steeds overtredingen te beboeten. Er is een afrekening bewaard gebleven van 6 augustus 1825. Dit document geeft een overzicht van: “Ontvangen wegens boeten ter zake overtreding der bepalingen vastgesteld bij Notificatie van Schout en Gemeente-Raad van Wassenaar dd: 28 december 1819”.
In totaal wordt 19 gulden geïnd. De eerste overtreder is al een oude bekende; het is Aart de Hees, de kastelein van herberg De Koornbloem. Hij en Jan de Bie, ook kastelein moeten ieder 6 gulden betalen. De bezoekers die ieder een gulden boete krijgen, zijn: Jan de Graaf, Jacobus Kortekaas, Adam de Lange, Jasper van der Mark, nog een Adam de Lange, Jan Petermeijer en Jacob van Spronsen.
Van die 19 gulden gaat 1/3 deel of wel f. 6,33 1/3 cent naar de armen. Dit bedrag mag worden verdeeld over drie partijen: de Diaconie van de Hervormde Gemeente, de armenmeesters van de “Roomsch katholijken Gemeente” en de H. Geest armen (een kas van de gemeente voor de niet-kerkelijke armen). Bij de inventarisatie blijkt, dat de diaconie voor 18 ‘zielen’ aanspraak maakt en de “Roomsch katholijken” voor 44 ‘zielen’. Bij de H. Geest armen is er niemand die bedeling nodig heeft. Het bedrag van f. 6,33 1/3 wordt hoofdelijk verdeeld. De diaconie ontvangt f. 1,85 en de “Roomschen” f. 4,48 1/3. Dit komt neer op ongeveer 10 cent per arme. Voor ontvangst tekenen Jan Korbee, diaken en Jan van der Velde, armenmeester.
Onderaan dit document volgt nog de afrekening met de veldwachters. Zij zullen dus hebben ‘aangebracht’. Op diezelfde dag tekenen ook zij. “Ontvangen bij ons ondergetekenden, veldwagters te Wassenaar een derde part in de voorsz. boeten ter somme van zes gulden drie en dertig en een derde centen, heden den 6 aug: 1825.” J. Van Leeuwen, A. Erbe
Elly van der Vin