De vorige keer maakte ik melding van het feit dat de commissie “ter regeling van het strandleven aan het Wassenaarsche Slag” meende paal en perk te moeten stellen aan de “toenemende excessen“ op het gebied van het dragen van bad- en strandkleding. Hoe dacht deze commissie, op 26 februari 1947 ingesteld door de gemeenteraad “ter bescherming van de betamelijkheid en de goede zeden”, daaraan vorm te geven?
Welnu, het voorstel was de Politieverordening aan te vullen met een bepaling “ingevolge welke het aan vrouwelijke personen verboden zal zijn zich op het strand te bevinden of in zee te zwemmen of te baden in bad- of strandkleding welke doorzichtig of opengewerkt is en waarvan het boven- en ondergedeelte zoodanig zijn gescheiden dat het lichaam ter hoogte van het middel aan de voorzijde niet volledig wordt bedekt”. Het college van Burgemeester en Wethouders nam de adviezen van de commissie vrijwel geheel over.
De gemeenteraad boog zich vervolgens op 7 mei 1947 over het voorstel van Burgemeester en Wethouders ter aanvulling van de Wassenaarse Politieverordening. Enkele saillante details uit deze beraadslaging wil ik U niet onthouden. Over de wenselijkheid dat de badgast zich uit- en aankleedt in een besloten ruimte is men het over het algemeen wel eens, zij het dat mevrouw Van der Goes de noodzaak niet zo inziet, omdat “velen het badpak reeds onder de jurk of het costuum aan hebben als zij naar het strand gaan”. Hierop repliceert de heer Van de Burg dat “zulks zeker niet geldt voor degenen die het strand verlaten”. De heer Van Gunsteren meent dat “de aan- en uitkleedpartijen hinderlijker zijn dan het gedragen worden van een bepaald soort badpakken”. En als men die laatste toch wil verbieden, dan is het volgens hem “toch zeker gewenst het omkleden buiten daartoe geschapen gelegenheden te verbieden”. Ten aanzien van het verbod op het dragen van een bepaald soort zwem/badkleding vraagt de heer Blom zich af “waarom kleding, waarbij een klein gedeelte van het middel aan de voorzijde onbedekt wordt gelaten, meer aanstoot zou geven dan kleding waarbij de gehele rug onbedekt blijft”. Volgens de heer Boender wordt er nog te veel geredeneerd alsof op textielgebied van alles te koop is. Veel vrouwen zijn immers genoodzaakt ten gevolge van de schaarste voor zichzelf een badpak te maken dat “in droge toestand alleszins acceptabel is, maar na in het water te zijn geweest, doorzichtig is”. Op de vraag van de heer Van Gunsteren of het aan heren verboden is in zwembroek te zwemmen, antwoordt de heer Blom dat uit de toelichting op de Politieverordening blijkt dat art. 150 daarvan mede beoogt vast te leggen dat niet in zwembroeken mag worden gezwommen. De heer Van Haren is voor een concrete omschrijving in de Politieverordening van wat onder een “behoorlijk badcostuum” moet worden verstaan. Er bestaat immers volgens hem bij sommige mensen de neiging “de te dragen badcostuums tot steeds kleinere proporties terug te brengen. Het is goed dat thans wordt gezegd: tot hier en niet verder”.
Zo dacht de gemeenteraad er in meerderheid ook over. Het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders ter aanvulling van de Politieverordening werd aangenomen.
Suzanne Spruijt-Mets